MOND
1. De student benoemt de anatomische oppervlaktestructuren van de mond in het Nederlands
en (indien aangegeven) in het Latijn en kan deze aanwijzen op een foto, plaat, model of bij
een proefpersoon:
- kaak
o maxilla bovenkaak
o mandibula onderkaak
- lippen
o labia
- tong
- hard gehemelte palatum durum
- zacht verhemelte palatum molle, velum
- huig uvula
- tandboog
- alveolairrand
- achterkeelwand (farynx)
- neustussenschot (septum nasi)
2. De student benoemt en beschrijft de werking van de spieren in het mondgebied:
- Spieren van de faciale expressie:
o m. orbicularis oris
mondkringspier
sluiten van de mond, tuiten van de lippen
o m. buccinator
duwt wang tegen de tanden
vierkante spier aan mondkringspier vast
trekt mondhoeken naar achteren
kauwen
zuigen
o m. mentalis
optrekken en naar voren brengen onderlip
pruillip
komt vanuit puntje van de kin
- Kauwspieren:
o m. masseter
sluiten van de kaak door onderkaak op te tillen
o m. temporalis
optillen en naar achteren trekken van de kaak
zijwaarts trekken onderkaak
ligt over de schedel boven het oor
- Extrinsieke Tongspieren:
o m. genioglossus
naar voren en terugbrengen van de tong
opheffen hyoid
kintongspier
waaiert
o m. hyoglossus
neerdrukken en terugtrekken van de tong
neerdrukken randen tong