Optica (Pascal van Rossum)
Hoorcollege 3: aberraties
benoemt de kenmerken en oplossingen van:
sferische aberratie:
De brandlijnen vanuit de periferie breken sterker en komen daardoor samen
voor het originele brandpunt. Bevat de longitudinale sferische aberratie.
Loopt van Fm’ tot Fp’. De transversale sferische aberratie loopt van Fp’ tot
het bovenste brandpunt van de perifere brandlijnen.
Bevat de circle of least confusion die op het punt van kruising ligt.
Oplossing: bending (breking verdelen over de 2 grensvlakken), stop
(diafragma dicht bij de lens plaatsen, zorgt wel voor meer vertekening) of
asferisch lensdesign.
Treedt op bij: lenzen met een grote diameter en axiale en niet-axiale (puntvormige) objecten.
Coma:
Licht valt niet parallel aan de optische as in. Ookwel off-axis sferische aberratie
genoemd. De paraxiale stralen en marginale stralen komen niet op 1 plek terecht.
Ontstaat doordat in elke zone de vergroting verschillend is. Er is geen circle of least
confusion maar een komeetvormige afbeelding.
Oplossing: bending of stop
Treedt op bij: off-axiale (puntvormige) objecten en lenzen met een grote diameter
Scheefastigmatisme:
Krijg je op het moment dat je een sferische lenssterkte hebt, maar de bundel
scheef laat invallen. Bevat 2 vlakken: tangentiale vlak en sagittale vlak. Het
tangentiale vlak is het vlak waarin de lichtbundel verschoven is t.o.v. de optische
as. De afstand tussen beide brandlijnen word het astigmatisch verschil genoemd
en scheef astigmatisme is een longitudinale aberratie. De scheef invallende bundel
breekt sterker omdat die meer oppervlakte op de lens heeft. Bevat ook
beeldvlakkromming.
Oplossing: bending van het lensoppervlak
Treedt op bij: off-axiale puntvormige objecten
beeldvlakkromming:
de kromming van het petzvaloppervlak kan berekend worden. Het
petzvaloppervlak is het gekromde beeldvlak. De E staat voor herhaling. Dus voor
het aantal lenzen kan je de formule blijven herhalen. De afbeelding is
“perfect”, maar alleen op een gekromd oppervlak. Op een vlak oppervlak is de
afbeelding centraal scherp maar word richting de rand waziger.
Oplossing: doublet (positieve lens tegen negatieve lens) of stop
Treed op bij: off-axiale puntvormige objecten.
, vertekening (ton- en kussenvorming):
de vergrotingsfactor is afhankelijk van de verhouding tussen de beeldafstand en de voorwerpsafstand.
Nlin = l’/l. bij toename van Nlin vormt zicht kussenvorming. Bij afname van Nlin vormt zich tonvorming.
Het is een verbuiging van rechte lijnen in de afbeelding die toenemen richting de rand.
Oplossing: symmetrisch doublet met stop tussen beide lenzen in
Treedt op bij: off-axiale puntvormige objecten en lenzen met een grote diameter met stop
chromatische aberratie:
heeft betrekking op het materiaal van de lens waardoor er kleurschifting
ontstaat. De mate waarin het licht uit elkaar getrokken word is te berekenen:
Als v (dispersiegetal/ getal van Abbe) laag is, is er veel kleurschifting.
Bij een positieve lens loopt de chromatische aberratie van violet naar groen
naar rood. Bij een negatieve lens loopt dat precies andersom.
Oplossing: doublet
Treedt op bij: off-axiale puntvormige objecten
beschrijft het begrip Coddington vormfactor.
Als de vormfactor -1 bedraagt gaat het over het
1e grensvlak. Bij +1 gaat het over het 2 e grensvlak.
beschrijft de begrippen: aplanatische-, stigmatische- en anastigmatische lens.
aplanatische: vrij van sferische aberratie en coma.
Stigmatisch/ anastigmatisch: vrij van scheef astigmatisme
beschrijft de rol van aberraties in het oog.
Sferische aberratie: afhankelijk van de pupilgrootte (aanwezig bij pupil groter dan 2,5 mm) en bij
brillenglazen sterker dan + of – 10 dpt.
Scheefastigmatisme: een van de meest storende aberraties
Coma: afhankelijk van de pupilgrootte
benoemt anatomische eigenschappen van het oog die van nature de aberraties in het oog verminderen.
Sferische aberratie: pupil werkt als diafragma
Scheefastigmatisme: vorm van de retina reduceert deze aberratie
Coma: vorm van de retina reduceert deze aberratie. Bij het corrigeren van scheefastigmatisme neemt
coma ook automatisch af.
Beeldvlakkromming: vorm van retina reduceert deze aberratie. Voornamelijk brillenglas als probleem.
Vertekening: vorm van de retina reduceert deze aberratie. Voornamelijk brillenglas als probleem.
Chromatische aberratie: speelt in het oog geen rol