Bell-Peereboom, D. & Timmer, C. Raad weten met de situatie.
Situationeel begeleiden
Gedrag van de werkbegeleider zelf:
1. Taakgericht gedrag: leren van de taak staat centraal. Begeleidingsactiviteiten die leiden tot
concrete resultaten van de stagiaire. Grote mate van sturing.
2. Relatiegericht gedrag: zorg voor de mens in de stagiaire staat centraal.
Begeleidingsactiviteiten die gericht zijn op het onderhouden en ondersteunen van de relaties.
Taak- en relatiegericht gedrag vult elkaar aan. Begeleiden houdt in deze vaardigheden goed op elkaar
af te stemmen. Daarom achterhaalt de werkbegeleider de begeleidingsbehoefte van de stagiaire door
het scannen van de taakvolwassenheid voor de te leren taak/vaardigheid.
Begeleidingsbehoefte van de stagiaire
De taakvolwassenheid wordt bepaald door de mate waarin de stagiaire in staat is
verantwoordelijkheid te dragen voor de uitvoering van een bepaalde taak op grond van:
Taakbekwaamheid (kunnen) Leerbekwaamheid (willen)
Ervaring met stagelopen Motivatie
Relevante theoretische voorkennis Bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen
Opleidingsniveau Zelfvertrouwen
Fase van de stageperiode
Vaardigheid om problemen op te lossen
Er zijn vier niveaus van taakvolwassenheid:
1: het ontbreekt aan kennis en/of kunde en zij heeft er weinig zin in/is onzeker/leert niet zelfstandig.
2: het ontbreekt aan kennis en/of kunde, maar zij heeft er wel zin in/durft/kan verantwoording aan.
3: óf de stagiaire kan het, maar wil niet, óf de stagiaire kan het, maar is onzeker.
4: de stagiaire kan het en is gemotiveerd.
Elk niveau leidt tot een bepaalde begeleidingsstijl:
Bepalen begeleidingsstijl van de werkbegeleider
Taakvolwassenheid van de student Niveau stagiaire Begeleidingsstijl
Taakbekwaamheid Leerbereidheid werkbegeleider
(kunnen) (willen)
- - 1 Overtuigen
- + 2 Instrueren
+ - 3 Ondersteunen
+ + 4 Delegeren
Stijlen van werkbegeleiding geven
Als de student het niet kan, is er meer sturing nodig.
Dit resulteert in instrueren of overtuigen. Als de
student niet wil, is er meer ondersteuning nodig. Dit
resulteert in ondersteunen en overtuigen.
Stijl 1: instrueren (ik vertel jou hoe en wat)
Leerdoel duidelijk aangeven
Theoretische kennis en ervaring activeren
Duidelijk instructies geven
Aanwezige protocollen/richtlijnen gebruiken
Noodzaak van de taak benadrukken
Concrete afspraken maken over de uitvoering
Situationeel begeleiden
Gedrag van de werkbegeleider zelf:
1. Taakgericht gedrag: leren van de taak staat centraal. Begeleidingsactiviteiten die leiden tot
concrete resultaten van de stagiaire. Grote mate van sturing.
2. Relatiegericht gedrag: zorg voor de mens in de stagiaire staat centraal.
Begeleidingsactiviteiten die gericht zijn op het onderhouden en ondersteunen van de relaties.
Taak- en relatiegericht gedrag vult elkaar aan. Begeleiden houdt in deze vaardigheden goed op elkaar
af te stemmen. Daarom achterhaalt de werkbegeleider de begeleidingsbehoefte van de stagiaire door
het scannen van de taakvolwassenheid voor de te leren taak/vaardigheid.
Begeleidingsbehoefte van de stagiaire
De taakvolwassenheid wordt bepaald door de mate waarin de stagiaire in staat is
verantwoordelijkheid te dragen voor de uitvoering van een bepaalde taak op grond van:
Taakbekwaamheid (kunnen) Leerbekwaamheid (willen)
Ervaring met stagelopen Motivatie
Relevante theoretische voorkennis Bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen
Opleidingsniveau Zelfvertrouwen
Fase van de stageperiode
Vaardigheid om problemen op te lossen
Er zijn vier niveaus van taakvolwassenheid:
1: het ontbreekt aan kennis en/of kunde en zij heeft er weinig zin in/is onzeker/leert niet zelfstandig.
2: het ontbreekt aan kennis en/of kunde, maar zij heeft er wel zin in/durft/kan verantwoording aan.
3: óf de stagiaire kan het, maar wil niet, óf de stagiaire kan het, maar is onzeker.
4: de stagiaire kan het en is gemotiveerd.
Elk niveau leidt tot een bepaalde begeleidingsstijl:
Bepalen begeleidingsstijl van de werkbegeleider
Taakvolwassenheid van de student Niveau stagiaire Begeleidingsstijl
Taakbekwaamheid Leerbereidheid werkbegeleider
(kunnen) (willen)
- - 1 Overtuigen
- + 2 Instrueren
+ - 3 Ondersteunen
+ + 4 Delegeren
Stijlen van werkbegeleiding geven
Als de student het niet kan, is er meer sturing nodig.
Dit resulteert in instrueren of overtuigen. Als de
student niet wil, is er meer ondersteuning nodig. Dit
resulteert in ondersteunen en overtuigen.
Stijl 1: instrueren (ik vertel jou hoe en wat)
Leerdoel duidelijk aangeven
Theoretische kennis en ervaring activeren
Duidelijk instructies geven
Aanwezige protocollen/richtlijnen gebruiken
Noodzaak van de taak benadrukken
Concrete afspraken maken over de uitvoering