Samenvatting volgens de leerdoelen staats- en bestuursrecht week 2
1. De Nederlandse politieke organen op centraal niveau benoemen en onderscheiden en de
ambten waaruit de samengestelde organen zijn opgemaakt benoemen en onderscheiden.
Koning
Ministers en staatssecretarrisen
Eerste en tweede kamer
2. Verklaren wat de termen 'coalitievorming' en 'kabinetsformatie' inhouden.
Kabinet: geheel van de op enig moment zittende ministers en staatssecretarissen .
Kabinetsformatie: vooral beheerst door 1 ongeschreven staatsrechtelijke regel, de
vertrouwensregel. De kabinetsformatie moet leiden tot een ploeg bewindslieden die
niet meteen door de volksvertegenwoordiging naar huis worden gestuurd.
Sinds 2012 is de rol van de koning hierin teruggedrongen en dient de kamer zelf de
(in)formateurs aan te wijzen.
3. De wijze waarop kabinetten in Nederland worden geformeerd reproduceren en uitleggen hoe dit
proces zich verhoudt tot het geschreven en ongeschreven staatsrecht.
4. Uitleggen wat met "de regeringsvorm" wordt bedoeld.
Met de term regeringsvorm wordt bedoelt op wat voor manier de regering in een land is
gevormd. Dit kan een democratie, aristocratie, dictatuur, theocratie, oligarchie of monarchie
zijn.
5. Het verschil beschrijven tussen een presidentieel, een parlementair en een conventioneel stelsel.
Stelsel: Presidentieel Parlementair Conventieel
gekozen President en parlement parlement
parlement
machtenscheiding strikt gematigd geen
bevoegdheden Wetgevende macht bij Wetgevende macht bij Wetgevende en
parlement, het parlement en uitvoerende macht bij
uitvoerende macht bij regering, uitvoerende het parlement
president (regering) macht bij regering
vertrouwensregel nee Ja Nee (niet nodig)
type dualistisch gemengd monistisch
6. Betogen in welk(e) opzicht(en) de regeringsvorm in een land overeenkomt met (elementen van)
bovengenoemde archetypen.
7. De totstandkomingsgeschiedenis van het huidige parlementaire stelsel in grote lijnen beschrijven.
8. De voornaamste taken en bevoegdheden van de regering en de Staten-Generaal (en de ambten
waaruit deze zijn opgemaakt) benoemen, uitleggen en herkennen in een casus.
9. De totstandkomingsgeschiedenis en de werking van de vertrouwensregel beschrijven en
toepassen op een casus ontleend aan de Nederlandse praktijk.
De vertrouwensregel heeft zich ontwikkeld in het verlengde van de politieke
verantwoordelijkheid.
1. De Nederlandse politieke organen op centraal niveau benoemen en onderscheiden en de
ambten waaruit de samengestelde organen zijn opgemaakt benoemen en onderscheiden.
Koning
Ministers en staatssecretarrisen
Eerste en tweede kamer
2. Verklaren wat de termen 'coalitievorming' en 'kabinetsformatie' inhouden.
Kabinet: geheel van de op enig moment zittende ministers en staatssecretarissen .
Kabinetsformatie: vooral beheerst door 1 ongeschreven staatsrechtelijke regel, de
vertrouwensregel. De kabinetsformatie moet leiden tot een ploeg bewindslieden die
niet meteen door de volksvertegenwoordiging naar huis worden gestuurd.
Sinds 2012 is de rol van de koning hierin teruggedrongen en dient de kamer zelf de
(in)formateurs aan te wijzen.
3. De wijze waarop kabinetten in Nederland worden geformeerd reproduceren en uitleggen hoe dit
proces zich verhoudt tot het geschreven en ongeschreven staatsrecht.
4. Uitleggen wat met "de regeringsvorm" wordt bedoeld.
Met de term regeringsvorm wordt bedoelt op wat voor manier de regering in een land is
gevormd. Dit kan een democratie, aristocratie, dictatuur, theocratie, oligarchie of monarchie
zijn.
5. Het verschil beschrijven tussen een presidentieel, een parlementair en een conventioneel stelsel.
Stelsel: Presidentieel Parlementair Conventieel
gekozen President en parlement parlement
parlement
machtenscheiding strikt gematigd geen
bevoegdheden Wetgevende macht bij Wetgevende macht bij Wetgevende en
parlement, het parlement en uitvoerende macht bij
uitvoerende macht bij regering, uitvoerende het parlement
president (regering) macht bij regering
vertrouwensregel nee Ja Nee (niet nodig)
type dualistisch gemengd monistisch
6. Betogen in welk(e) opzicht(en) de regeringsvorm in een land overeenkomt met (elementen van)
bovengenoemde archetypen.
7. De totstandkomingsgeschiedenis van het huidige parlementaire stelsel in grote lijnen beschrijven.
8. De voornaamste taken en bevoegdheden van de regering en de Staten-Generaal (en de ambten
waaruit deze zijn opgemaakt) benoemen, uitleggen en herkennen in een casus.
9. De totstandkomingsgeschiedenis en de werking van de vertrouwensregel beschrijven en
toepassen op een casus ontleend aan de Nederlandse praktijk.
De vertrouwensregel heeft zich ontwikkeld in het verlengde van de politieke
verantwoordelijkheid.