Economie domein E, F en G
- Inkomen = primaire inkomen: loon, huur, rente, pacht en winst.
+ overdrachtsinkomen: sociale uitkeringen en toeslagen.
Stroomgrootheid → inkomen wordt gemeten over een bepaalde periode.
- Vermogen = bezit - schulden. Bv. eigenwoning = waarde van huis - hypothecaire lening.
Voorraadgrootheid → vermogen wordt gemeten op een bepaald moment.
Inkomen en vermogen heeft een positief verband +. Als de een stijgt/daalt, stijgt/daalt de
andere ook.
- Inkomen → vermogen: als inkomen stijgt heb je meer geld om te sparen of een
huis te kopen waardoor je vermogen ook stijgt.
- Vermogen → inkomen: als het vermogen stijgt heb je een hoger inkomen door
rente over spaargeld of huurinkomsten.
3 fases in levensloop:
1. Jeugd: In je jeugd heb je onvoldoende inkomen, maar consumeer je wel.
Ruil tussen generaties → ouders betalen kosten voor het levensonderhoud.
Geld lenen voor een studie → dat zorgt voor schulden die grote zijn dat het
bezit → vermogen is negatief.
2. Werkzame leven: In je werkzame leven heb je meer inkomen dan je
consumeert → sparen voor pensioen.
3. Oude dag: op je oude dag heb je geen looninkomen maar je consumeert
wel → interen op vermogen.
Consumptie neemt toe doordat sommige ouderen gebruik gaan maken
van de gezondheidszorg → betaald door werkenden via belastingen en
premies.
Sparen of lenen?
- Levensfase: In elke levensfase maken mensen andere keuzes. Jongeren →
lenen, werkenden → sparen en gepensioneerde → ontsparen.
- Rente: Lage rente →lenen aantrekkelijker dan sparen (minder rente betalen).
Hoge rente → sparen aantrekkelijker dan lenen (meer rente over spaargeld
ontvangen).
- Inflatie: inflatie zorgt voor een daling van de reële waarde van spaargeld en
uitgeleend geld →geldontwaarding.
- Consumentenvertrouwen: toekomst: optimistisch? → lenen / pessimistisch? →
sparen.
Ruilen over de tijd:
- Sparen → consumptie uitstellen door nu te sparen en later meer te consumeren
= lage tijdsvoorkeur. Ook productie van bedrijven wordt uitgesteld. Rente over
spaargeld = beloning. Spaarder = risico-avers →houdt niet van risico.
(Beleggen: belegger zoekt risico in ruil voor een hoger rendement)
- Lenen →consumptie naar voren halen door nu te consumeren en later rente en
aflossing te betalen = hoge tijdsvoorkeur. Ook productie van bedrijven wordt
naar voren gehaald.
- Inkomen = primaire inkomen: loon, huur, rente, pacht en winst.
+ overdrachtsinkomen: sociale uitkeringen en toeslagen.
Stroomgrootheid → inkomen wordt gemeten over een bepaalde periode.
- Vermogen = bezit - schulden. Bv. eigenwoning = waarde van huis - hypothecaire lening.
Voorraadgrootheid → vermogen wordt gemeten op een bepaald moment.
Inkomen en vermogen heeft een positief verband +. Als de een stijgt/daalt, stijgt/daalt de
andere ook.
- Inkomen → vermogen: als inkomen stijgt heb je meer geld om te sparen of een
huis te kopen waardoor je vermogen ook stijgt.
- Vermogen → inkomen: als het vermogen stijgt heb je een hoger inkomen door
rente over spaargeld of huurinkomsten.
3 fases in levensloop:
1. Jeugd: In je jeugd heb je onvoldoende inkomen, maar consumeer je wel.
Ruil tussen generaties → ouders betalen kosten voor het levensonderhoud.
Geld lenen voor een studie → dat zorgt voor schulden die grote zijn dat het
bezit → vermogen is negatief.
2. Werkzame leven: In je werkzame leven heb je meer inkomen dan je
consumeert → sparen voor pensioen.
3. Oude dag: op je oude dag heb je geen looninkomen maar je consumeert
wel → interen op vermogen.
Consumptie neemt toe doordat sommige ouderen gebruik gaan maken
van de gezondheidszorg → betaald door werkenden via belastingen en
premies.
Sparen of lenen?
- Levensfase: In elke levensfase maken mensen andere keuzes. Jongeren →
lenen, werkenden → sparen en gepensioneerde → ontsparen.
- Rente: Lage rente →lenen aantrekkelijker dan sparen (minder rente betalen).
Hoge rente → sparen aantrekkelijker dan lenen (meer rente over spaargeld
ontvangen).
- Inflatie: inflatie zorgt voor een daling van de reële waarde van spaargeld en
uitgeleend geld →geldontwaarding.
- Consumentenvertrouwen: toekomst: optimistisch? → lenen / pessimistisch? →
sparen.
Ruilen over de tijd:
- Sparen → consumptie uitstellen door nu te sparen en later meer te consumeren
= lage tijdsvoorkeur. Ook productie van bedrijven wordt uitgesteld. Rente over
spaargeld = beloning. Spaarder = risico-avers →houdt niet van risico.
(Beleggen: belegger zoekt risico in ruil voor een hoger rendement)
- Lenen →consumptie naar voren halen door nu te consumeren en later rente en
aflossing te betalen = hoge tijdsvoorkeur. Ook productie van bedrijven wordt
naar voren gehaald.