Woordenlijst van der Worp, Lop.
Artikel 1, p1 t/m 4. Hoe kijken mensen tegen inclusief onderwijs aan.
Artikel 2, p5 t/m 8, risico kinderen (gedragsproblemen etc)
Artikel 3, p6 t/m 13, hoe bereik je inclusief onderwijs
Artikel 4, p14 t/m 21, input-Throughput-output!! Financiering Tt.
Artikel 5, p22t/m 25, sociale relaties van kinderen met een beperking in regulier onderwijs
Artikel 6, p26 t/m 27, scholing van leraren voor inclusief onderwijs
Artikel 7, p28 t/m 30, peergroup van het kind, wordt naar de sociale relaties gekeken en naar
zelfbeeld. Kind met een beperking lager dan normaal.
Artikel 8, p31 tm 37. Samenwerkend onderwijzen, samenwerkend leren, gezamenlijke
probleemoplossend, heterogeen groeperen en effectief onderwijs lijken bij te dragen aan
inclusief onderwijs.
Artikel 9, p38n t/m 41. Gaat ook over financiering, rugzak wordt hierin benoemd. Het
nieuwe model heeft geleid tot oneerlijkheid. Door de nieuwe criteria vielen sommige
kinderen erbuiten (voor extra geld) die voorheen wel geld kregen.
Artikel 10, p39 t/m 45. sociale participatie, sociale integratie en sociale inclusie te
omschrijven en wat zijn de kenmerkende thema's. Gaat over leerlingen met beperkingen, in
inclusief onderwijs, of zij contacten en vriendschappen kunnen sluiten met leeftijdsgenoten.
Artikel 11, p46 t/m 47. Gaat ook over de termen sociale participatie, integratie en inclusie.
Basisonderwijs ook.
Artikel 12, p48 t/m 49. Aantal kinderen in speciaal onderwijs. Bevolkingsdichtheid moet
hierbij ook worden meegenomen, hoe dichter hoe meer kinderen naar so gaan.
Artikel 13, p50 t/m 51. Dilemma’s van plaatsen van kinderen met beperking, wordt in VS
Engeland en NL bekeken. (beetje vaag artikel, kon er niet veel uithalen)
Artikel 14, p52 t/m 56. Er wordt in beeld gebracht hoe inclusief onderwijs er in NL, Engeland,
Oostenrijk en Duitsland eruit ziet. Er wordt gekeken hoe het per land is geïntegreerd
(integratie) en hoe het is gefinancierd.
Artikel 15. p57 t/m 58. Gaat over beleidsmakers. En hoe zij verandering kunnen aanbrengen
in de scholen. Professionele bureaucratie. Ze moeten de macht afgeven, throughtput.
Artikel 16. p59 t/m 63. Gaat weer over leerlingen met beperking en hun peergroep. Er wordt
gekeken naar acceptatie van peers, vrienden hebben en horen tot een groep/ 3
onderzoeken, sociometrisch, leerling zelf en mening leraar. Met beperking minder vrienden.
Artikel 17. p64 t/m 65; overplaatsing van regulier naar so, waar wordt er naar gekeken. En
wat zeggen voor en tegenstanders van inclusief onderwijs.
Artikel 18. p66 t/m 67; gaat over integratie en inclusie. Hoe het in het westen is veranderd.
Ook wordt er gekeken naar de statistieken m.b.t inclusie.
Artikel 19. p68 t/m 72. Gaat over de verschillende vormen van onderwijs in Nederland en
hoe ze worden gefinancierd. Ook leerlingen met extra behoeftes in onderwijs. NL heeft een
centraal beleid.
Artikel 20. p73 t/m 78. Zorgplicht en passend onderwijs. Gaan een aantal landen bij langs
hoe het bestuur het doet, financiering (throughtput), verantwoordelijkheid van de
basisschool, positie van de ouders, positie van de leerkracht (opleiding, bijscholing)
verantwoordelijkheid bij verwijzing. Zorgplicht en ouders/leraren/scholen.
Artikel 21. p79 t/m 83. Is een soort samenvatting van alles. Speciaal onderwijs en verwijzing
hierna, kritiek op speciaal onderwijs en uitgangspunten van inclusief onderwijs. Ook
onderzoek naar inclusief onderwijs en de problemen bij het onderzoek.
Artikel 1, p1 t/m 4. Hoe kijken mensen tegen inclusief onderwijs aan.
Artikel 2, p5 t/m 8, risico kinderen (gedragsproblemen etc)
Artikel 3, p6 t/m 13, hoe bereik je inclusief onderwijs
Artikel 4, p14 t/m 21, input-Throughput-output!! Financiering Tt.
Artikel 5, p22t/m 25, sociale relaties van kinderen met een beperking in regulier onderwijs
Artikel 6, p26 t/m 27, scholing van leraren voor inclusief onderwijs
Artikel 7, p28 t/m 30, peergroup van het kind, wordt naar de sociale relaties gekeken en naar
zelfbeeld. Kind met een beperking lager dan normaal.
Artikel 8, p31 tm 37. Samenwerkend onderwijzen, samenwerkend leren, gezamenlijke
probleemoplossend, heterogeen groeperen en effectief onderwijs lijken bij te dragen aan
inclusief onderwijs.
Artikel 9, p38n t/m 41. Gaat ook over financiering, rugzak wordt hierin benoemd. Het
nieuwe model heeft geleid tot oneerlijkheid. Door de nieuwe criteria vielen sommige
kinderen erbuiten (voor extra geld) die voorheen wel geld kregen.
Artikel 10, p39 t/m 45. sociale participatie, sociale integratie en sociale inclusie te
omschrijven en wat zijn de kenmerkende thema's. Gaat over leerlingen met beperkingen, in
inclusief onderwijs, of zij contacten en vriendschappen kunnen sluiten met leeftijdsgenoten.
Artikel 11, p46 t/m 47. Gaat ook over de termen sociale participatie, integratie en inclusie.
Basisonderwijs ook.
Artikel 12, p48 t/m 49. Aantal kinderen in speciaal onderwijs. Bevolkingsdichtheid moet
hierbij ook worden meegenomen, hoe dichter hoe meer kinderen naar so gaan.
Artikel 13, p50 t/m 51. Dilemma’s van plaatsen van kinderen met beperking, wordt in VS
Engeland en NL bekeken. (beetje vaag artikel, kon er niet veel uithalen)
Artikel 14, p52 t/m 56. Er wordt in beeld gebracht hoe inclusief onderwijs er in NL, Engeland,
Oostenrijk en Duitsland eruit ziet. Er wordt gekeken hoe het per land is geïntegreerd
(integratie) en hoe het is gefinancierd.
Artikel 15. p57 t/m 58. Gaat over beleidsmakers. En hoe zij verandering kunnen aanbrengen
in de scholen. Professionele bureaucratie. Ze moeten de macht afgeven, throughtput.
Artikel 16. p59 t/m 63. Gaat weer over leerlingen met beperking en hun peergroep. Er wordt
gekeken naar acceptatie van peers, vrienden hebben en horen tot een groep/ 3
onderzoeken, sociometrisch, leerling zelf en mening leraar. Met beperking minder vrienden.
Artikel 17. p64 t/m 65; overplaatsing van regulier naar so, waar wordt er naar gekeken. En
wat zeggen voor en tegenstanders van inclusief onderwijs.
Artikel 18. p66 t/m 67; gaat over integratie en inclusie. Hoe het in het westen is veranderd.
Ook wordt er gekeken naar de statistieken m.b.t inclusie.
Artikel 19. p68 t/m 72. Gaat over de verschillende vormen van onderwijs in Nederland en
hoe ze worden gefinancierd. Ook leerlingen met extra behoeftes in onderwijs. NL heeft een
centraal beleid.
Artikel 20. p73 t/m 78. Zorgplicht en passend onderwijs. Gaan een aantal landen bij langs
hoe het bestuur het doet, financiering (throughtput), verantwoordelijkheid van de
basisschool, positie van de ouders, positie van de leerkracht (opleiding, bijscholing)
verantwoordelijkheid bij verwijzing. Zorgplicht en ouders/leraren/scholen.
Artikel 21. p79 t/m 83. Is een soort samenvatting van alles. Speciaal onderwijs en verwijzing
hierna, kritiek op speciaal onderwijs en uitgangspunten van inclusief onderwijs. Ook
onderzoek naar inclusief onderwijs en de problemen bij het onderzoek.