Samenvatting Sociale Cognitie
Hoofdstuk 1
subjectieve realiteit= elk individu construeert zijn eigen subjectieve realiteit
(1) consistent zoekend perspectief= individuen proberen de wereld te zien
zoals zij verwachten haar te zien
dissonantie= ik ben slim + ik ben gezakt
(2) Naive wetenschapper perspectief= individuen proberen de wereld accuraat
te zien, dit lukt niet altijd
(3) cognitive miser= men probeert ( vooral met tijdsdruk) ernaar te streven om
cognitieve processen te simplificeren
(4) de gemotiveerde tacticus= men moet flexibel zijn in het construeren van een
sociale realiteit en zal dus moeten afwisselen tussen perspectief 1,2 en 3
— > cognitie vs sociale cognitie
(1) de (sociale) natuur/oorsprong= sociale stimuli verschillen van fysieke
stimuli. Sociale cognitie (bijv gedachte) zijn meer abstract
(2) de sociale natuur vd processen
zelfbetrokkenheid= goed voelt men zich en denkt over zichzelf
Hoofdstuk 2
3 elementen voor sociale realiteit construeren:
(1) Input vanuit een situatie (stimuli)
(2) input in de vorm van een bestaande kennis die het individu heeft
(3) het process dat opereert op de input
4 thema's informatieverwerking
(1) stimulus info x voorgaande kennis ( top down vs bottom up)
Top Down= informatieverwerking gestuurd door bestaande kennis en
verwachtingen
bottom up= informatie verwerking gestuurd door stimuli in een bepaalde
situatie
(2) limitaties van verwerkingscapaciteit → simplificaties en shortcuts
de verwerkingscapaciteit is niet eindeloos. Hoe gaan we hiermee om ?
(1) informatie selectie -> kwantiteit beperken
(2) heuristiek gebruik → vuistregels en shortcuts
(3) top down verwerken → bestaande kennis gebruiken, bijv afgaan op
stereotypes
automatische en gecontroleerde cognitieve processen
, automatisch= niet-intentionele processen die weinig cognitieve bronnen vergen,
niet te controleren zijn en buiten het bewustzijn plaatsvindt
gecontroleerde processen= vergen veel verwarmingsbronnen/aandacht en vergt
bewuste processen
cocktail party effect= je richt je op een stimulus maar houdt onbewust ook andere
stimuli in de gaten
intrusion error= een mogelijk een herinnering vervormd door een deel van de
bestaande kennis eraan toe te voegen
Hoofdstuk 3
informatie organisatie in het geheugen
- categorie
informatie aan elkaar gelinkt is vormen samen een categorie in het geheugen
ad-hoc categorie= nieuwe categorie
stereotype= categorie waarbij attributen aan sociale groepen gelinkt worden
schema= categorische kennis leidt tot automatisch gedrag
associatief netwerk= structuur waarin verschillende concepten verbonden zijn
→ Horizontaal: bijv. hockey + voetbal + atletiek
→ verticaal: bijv. sport-atletiek-hoogspringen
outgroup= kennis is vooral gebaseerd op abstracte prototypes
ingroup= vooral op concrete voorbeelden
zoekproblemen
- convergent= komt het in je op door match in geheugen ( bijv MC-tentamen of
een naam herinneren dmv gezicht)
- divergent= meer creatief en open ended ( bv zoeken naar bday cadeau)
Beschikbaarheid en toegankelijkheid
beschikbaarheid= mate waarin representatie aanwezig is in info van geheugen
toegankelijkheid= mate waarin representatie klaar staat om opgehaald te worden
( bijv door recency of frequentie)
—-> type priming
(1) evaluatieve priming= 2 stimuli ( prime + target) kort na elkaar gepresenteerd
(2) stemming priming= emotionele films of hypnose laten positieve of negatieve
staten opwekken
(3) semantisch priming= priming van specifieke semantische categorieen
→ oordeel sneller na zien van stereotype
priming als causal agent:
Hoofdstuk 1
subjectieve realiteit= elk individu construeert zijn eigen subjectieve realiteit
(1) consistent zoekend perspectief= individuen proberen de wereld te zien
zoals zij verwachten haar te zien
dissonantie= ik ben slim + ik ben gezakt
(2) Naive wetenschapper perspectief= individuen proberen de wereld accuraat
te zien, dit lukt niet altijd
(3) cognitive miser= men probeert ( vooral met tijdsdruk) ernaar te streven om
cognitieve processen te simplificeren
(4) de gemotiveerde tacticus= men moet flexibel zijn in het construeren van een
sociale realiteit en zal dus moeten afwisselen tussen perspectief 1,2 en 3
— > cognitie vs sociale cognitie
(1) de (sociale) natuur/oorsprong= sociale stimuli verschillen van fysieke
stimuli. Sociale cognitie (bijv gedachte) zijn meer abstract
(2) de sociale natuur vd processen
zelfbetrokkenheid= goed voelt men zich en denkt over zichzelf
Hoofdstuk 2
3 elementen voor sociale realiteit construeren:
(1) Input vanuit een situatie (stimuli)
(2) input in de vorm van een bestaande kennis die het individu heeft
(3) het process dat opereert op de input
4 thema's informatieverwerking
(1) stimulus info x voorgaande kennis ( top down vs bottom up)
Top Down= informatieverwerking gestuurd door bestaande kennis en
verwachtingen
bottom up= informatie verwerking gestuurd door stimuli in een bepaalde
situatie
(2) limitaties van verwerkingscapaciteit → simplificaties en shortcuts
de verwerkingscapaciteit is niet eindeloos. Hoe gaan we hiermee om ?
(1) informatie selectie -> kwantiteit beperken
(2) heuristiek gebruik → vuistregels en shortcuts
(3) top down verwerken → bestaande kennis gebruiken, bijv afgaan op
stereotypes
automatische en gecontroleerde cognitieve processen
, automatisch= niet-intentionele processen die weinig cognitieve bronnen vergen,
niet te controleren zijn en buiten het bewustzijn plaatsvindt
gecontroleerde processen= vergen veel verwarmingsbronnen/aandacht en vergt
bewuste processen
cocktail party effect= je richt je op een stimulus maar houdt onbewust ook andere
stimuli in de gaten
intrusion error= een mogelijk een herinnering vervormd door een deel van de
bestaande kennis eraan toe te voegen
Hoofdstuk 3
informatie organisatie in het geheugen
- categorie
informatie aan elkaar gelinkt is vormen samen een categorie in het geheugen
ad-hoc categorie= nieuwe categorie
stereotype= categorie waarbij attributen aan sociale groepen gelinkt worden
schema= categorische kennis leidt tot automatisch gedrag
associatief netwerk= structuur waarin verschillende concepten verbonden zijn
→ Horizontaal: bijv. hockey + voetbal + atletiek
→ verticaal: bijv. sport-atletiek-hoogspringen
outgroup= kennis is vooral gebaseerd op abstracte prototypes
ingroup= vooral op concrete voorbeelden
zoekproblemen
- convergent= komt het in je op door match in geheugen ( bijv MC-tentamen of
een naam herinneren dmv gezicht)
- divergent= meer creatief en open ended ( bv zoeken naar bday cadeau)
Beschikbaarheid en toegankelijkheid
beschikbaarheid= mate waarin representatie aanwezig is in info van geheugen
toegankelijkheid= mate waarin representatie klaar staat om opgehaald te worden
( bijv door recency of frequentie)
—-> type priming
(1) evaluatieve priming= 2 stimuli ( prime + target) kort na elkaar gepresenteerd
(2) stemming priming= emotionele films of hypnose laten positieve of negatieve
staten opwekken
(3) semantisch priming= priming van specifieke semantische categorieen
→ oordeel sneller na zien van stereotype
priming als causal agent: