H5 Maatschappijwetenschappen kennen en kunnen lijst tentamen Vorming
Ten eerste ken je de definities van de hoofd en de kernconcepten van Vorming en kun je deze ook
toepassen
Hoofd en kernconcepten:
Vorming: Het hoofdconcept vorming verwijst naar het proces van verwerving van een bepaalde identiteit.
Socialisatie: Het proces van overdracht en verwerving van de cultuur van de groep(en) en de
samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding, opleiding en andere
vormen van omgang met anderen.
Acculturatie: Het aanleren en verwerven van een andere cultuur of elementen daaruit, dan die waarin
iemand is opgegroeid.
Identiteit: Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, dat hij uitdraagt en anderen voorhoudt en dat hij
als kenmerkend en blijvend beschouwt voor zijn eigen persoon en dat is afgeleid van zijn perceptie
over de groep(en) waar hij wel of juist ook niet deel van uitmaakt.
Cultuur: Het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die
mensen als lid van een groep of samenleving hebben verworven. (ook bij binding)
Politieke socialisatie: Het proces van overdracht en verwerving van de politieke cultuur van de
groep(en) en samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding, opleiding en
andere vormen van omgang met anderen.
Ideologie: Een samenhangend geheel van beginselen en denkbeelden, meestal uitmondend in ideeën
over de meest wenselijke maatschappelijke en politieke verhoudingen.
Vorming
Je kent de functies van socialisatie (continuering van de cultuur, verandering van de cultuur,
identificatie, identiteitsontwikkeling, reguleren van het gedrag van mensen)
Je kent de drie vormen van kapitaal waardoor er sociale ongelijkheid kan bestaan (economisch, sociaal
en cultureel kapitaal)
Je weet wat de nature/nurture discussie inhoudt
Je kent de verschillen tussen persoonlijke, sociale en collectieve identeit.
Je kent de verschillende theorieën over de invloed van de media (mediahypothesen):
cultivatiehypothese, opinieleidershypothese, media framing hypothese, selectiviteitshypothese.
Je kent de vijf dimensies van Hofstede waarmee je culturen van elkaar kunt onderscheiden.
o Machtsafstand
o Individualistisch vs collectivistisch
o Masculien vs feminien
o Lage onzekerheidsvermijding vs hoge onzekerheidsvermijding
o Langetermijngerichtheid vs kortetermijngerichtheid
o Hedonisme vs soberheid
Je kent die drie Nederlandse ideologische hoofdstromingen (confessionele, liberale en
socialistische/sociaaldemocratische )
Je kent de ontwikkeling van het gezin vanaf de tweede helft van de 20 e eeuw met begrippen zoals:
Bevelshuishouding, Kostwinnersgezin, Modern gezin, onderhandelingshuishouden en
patchworkgezinnen.
Ten eerste ken je de definities van de hoofd en de kernconcepten van Vorming en kun je deze ook
toepassen
Hoofd en kernconcepten:
Vorming: Het hoofdconcept vorming verwijst naar het proces van verwerving van een bepaalde identiteit.
Socialisatie: Het proces van overdracht en verwerving van de cultuur van de groep(en) en de
samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding, opleiding en andere
vormen van omgang met anderen.
Acculturatie: Het aanleren en verwerven van een andere cultuur of elementen daaruit, dan die waarin
iemand is opgegroeid.
Identiteit: Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, dat hij uitdraagt en anderen voorhoudt en dat hij
als kenmerkend en blijvend beschouwt voor zijn eigen persoon en dat is afgeleid van zijn perceptie
over de groep(en) waar hij wel of juist ook niet deel van uitmaakt.
Cultuur: Het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die
mensen als lid van een groep of samenleving hebben verworven. (ook bij binding)
Politieke socialisatie: Het proces van overdracht en verwerving van de politieke cultuur van de
groep(en) en samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding, opleiding en
andere vormen van omgang met anderen.
Ideologie: Een samenhangend geheel van beginselen en denkbeelden, meestal uitmondend in ideeën
over de meest wenselijke maatschappelijke en politieke verhoudingen.
Vorming
Je kent de functies van socialisatie (continuering van de cultuur, verandering van de cultuur,
identificatie, identiteitsontwikkeling, reguleren van het gedrag van mensen)
Je kent de drie vormen van kapitaal waardoor er sociale ongelijkheid kan bestaan (economisch, sociaal
en cultureel kapitaal)
Je weet wat de nature/nurture discussie inhoudt
Je kent de verschillen tussen persoonlijke, sociale en collectieve identeit.
Je kent de verschillende theorieën over de invloed van de media (mediahypothesen):
cultivatiehypothese, opinieleidershypothese, media framing hypothese, selectiviteitshypothese.
Je kent de vijf dimensies van Hofstede waarmee je culturen van elkaar kunt onderscheiden.
o Machtsafstand
o Individualistisch vs collectivistisch
o Masculien vs feminien
o Lage onzekerheidsvermijding vs hoge onzekerheidsvermijding
o Langetermijngerichtheid vs kortetermijngerichtheid
o Hedonisme vs soberheid
Je kent die drie Nederlandse ideologische hoofdstromingen (confessionele, liberale en
socialistische/sociaaldemocratische )
Je kent de ontwikkeling van het gezin vanaf de tweede helft van de 20 e eeuw met begrippen zoals:
Bevelshuishouding, Kostwinnersgezin, Modern gezin, onderhandelingshuishouden en
patchworkgezinnen.