Vennootschapsbelasting
BA-3-4
2015/2016
Samenvattingen
Tijdschrift voor Fiscaal Ondernemingsrecht – De onzakelijke lening
P.G.H. Albert
1.Inleiding
2.Eigen vermogen versus vreemd vermogen (kapitaal versus geldlening)
Voor de heffing van vennootschapsbelasting is van groot belang of een geldverstrekking het
karakter van eigen vermogen (kapitaal) heeft of dat van vreemd vermogen (geldlening).
Zowel voor de verstrekker van het geld als voor de ontvanger. Wanneer sprake is van eigen
vermogen (kapitaal) is de vergoeding die de ontvanger aan de vermogensverstrekker
betaalt, niet aftrekbaar. Voor de vermogensverstrekker zal de vergoeding in het algemeen
onder de deelnemingsvrijstelling vallen en dus onbelast blijven. Wanneer daarentegen
sprake is van vreemd
vermogen (geldlening) is de vergoeding die de ontvanger aan de vermogensverstrekker
betaalt, aftrekbaar (afgezien van eventuele renteaftrekbeperkingen) en voor de
vermogensverstrekker belastbaar.
Civielrechtelijke vorm
Het standaardarrest over de onzakelijke lening HR 25 november 2011, BNB 2012/37. De
HR overwoog: “Voor de beantwoording van de vraag of een geldverstrekking door een
moedervennootschap aan haar dochtervennootschap voor wat betreft de fiscale gevolgen
als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is in beginsel de
civielrechtelijke vorm beslissend. Deze regel lijdt in drie gevallen uitzondering, te weten:
1. indien alleen naar de schijn sprake is van een lening, terwijl partijen in werkelijkheid
hebben beoogd een kapitaalverstrekking tot stand te brengen,
2. indien de lening is verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door
hem
uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar, en
3. ingeval – kort gezegd – de geldlening is verstrekt onder zodanige omstandigheden dat
aan de uit die lening voortvloeiende vordering, naar de uitlener reeds aanstonds duidelijk
moet zijn geweest, voor het geheel of voor een gedeelte geen waarde toekomt omdat het
door hem ter leen verstrekte bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald
(onder meer HR 24 mei 2002, nr. 37071, LJN AE3171, BNB 2002/231).
Het past niet in het wettelijk systeem in een geval waarin naar de vorm sprake is van een
geldlening en zich niet één van bovenvermelde uitzonderingen voordoet, voor de fiscale
winstberekening niettemin ervan uit te gaan dat eigen vermogen is verstrekt.”
Geldlening
De hoofdregel is dat de civielrechtelijke vorm van de geldverstrekking beslissend is.
HR 8 september 2006 de HR overwoog dat:
“Noch de omstandigheid dat de geldverstrekking door een onafhankelijke derde niet zou
hebben
plaatsgevonden zonder dat door belanghebbende of een zustervennootschap zekerheid was
gesteld,
BA-3-4
2015/2016
Samenvattingen
Tijdschrift voor Fiscaal Ondernemingsrecht – De onzakelijke lening
P.G.H. Albert
1.Inleiding
2.Eigen vermogen versus vreemd vermogen (kapitaal versus geldlening)
Voor de heffing van vennootschapsbelasting is van groot belang of een geldverstrekking het
karakter van eigen vermogen (kapitaal) heeft of dat van vreemd vermogen (geldlening).
Zowel voor de verstrekker van het geld als voor de ontvanger. Wanneer sprake is van eigen
vermogen (kapitaal) is de vergoeding die de ontvanger aan de vermogensverstrekker
betaalt, niet aftrekbaar. Voor de vermogensverstrekker zal de vergoeding in het algemeen
onder de deelnemingsvrijstelling vallen en dus onbelast blijven. Wanneer daarentegen
sprake is van vreemd
vermogen (geldlening) is de vergoeding die de ontvanger aan de vermogensverstrekker
betaalt, aftrekbaar (afgezien van eventuele renteaftrekbeperkingen) en voor de
vermogensverstrekker belastbaar.
Civielrechtelijke vorm
Het standaardarrest over de onzakelijke lening HR 25 november 2011, BNB 2012/37. De
HR overwoog: “Voor de beantwoording van de vraag of een geldverstrekking door een
moedervennootschap aan haar dochtervennootschap voor wat betreft de fiscale gevolgen
als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is in beginsel de
civielrechtelijke vorm beslissend. Deze regel lijdt in drie gevallen uitzondering, te weten:
1. indien alleen naar de schijn sprake is van een lening, terwijl partijen in werkelijkheid
hebben beoogd een kapitaalverstrekking tot stand te brengen,
2. indien de lening is verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door
hem
uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar, en
3. ingeval – kort gezegd – de geldlening is verstrekt onder zodanige omstandigheden dat
aan de uit die lening voortvloeiende vordering, naar de uitlener reeds aanstonds duidelijk
moet zijn geweest, voor het geheel of voor een gedeelte geen waarde toekomt omdat het
door hem ter leen verstrekte bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald
(onder meer HR 24 mei 2002, nr. 37071, LJN AE3171, BNB 2002/231).
Het past niet in het wettelijk systeem in een geval waarin naar de vorm sprake is van een
geldlening en zich niet één van bovenvermelde uitzonderingen voordoet, voor de fiscale
winstberekening niettemin ervan uit te gaan dat eigen vermogen is verstrekt.”
Geldlening
De hoofdregel is dat de civielrechtelijke vorm van de geldverstrekking beslissend is.
HR 8 september 2006 de HR overwoog dat:
“Noch de omstandigheid dat de geldverstrekking door een onafhankelijke derde niet zou
hebben
plaatsgevonden zonder dat door belanghebbende of een zustervennootschap zekerheid was
gesteld,