Pronoun
Dit vervangt de noun om herhaling te voorkomen. Voorbeelden van pronouns zijn: he, she, which,
none, they.
Om naar het verleden of naar het heden te verwijzen gebruik je de volgende pronouns: it, this, that,
these, those.
Om woorden waar hij/zij kunnen staan (anyone, no one, somebody) kan je vervangen met they.
Possessive Adjective + noun
Example: my dog is big, Her cat is brown, their sister works downtown
My, your, his, her, its, our, their
Noun + Possessive pronouns
Example: The dog is mine, the brown cat is hers, the car is ours
Mine, yours, his, hers, its, ours, theirs
Instinker!
I’d like you to meet Rita. She’s a great friend of OURS (not us!)
Bezittelijke voornaamwoord van us is ours!
Modal perfect
De modal perfect bestaat uit een hulpwerkwoord die noodzakelijkheid (behoefte) en de
mogelijkheden uitdrukt. Voorbeelden hiervan zijn: shall, must, will, should, would, can, could, may,
might. Daar achter kom have en daarna komt de part pariciple (voltooid deelwoord) (woord + ed).
Er zijn twee vormen van modal perfect:
Kritiek of beoordelen op verleden acties Speculaties over het verleden of de toekomst
You really should have backed up the files I think the meeting may have finished now.
Dependent prepositions
Sommige werkwoorden worden gevolgd door voorzetsels voor een object of werkwoord.
Afhankelijke voorzetsels worden gevolgd bij een zelfstandig naamwoord (the/a/an voorzetten) of
door de gerund (-ing vorm)
Je hebt vormen met verbs + for, from, in, of, on, to, with, about, etc.
Can/could/must/may/might/would/should/will
Can kan Je kunt iets, toestemming
vragen
Could kon iets zou kunnen beleefd iets vragen
Must moet als je vindt dat je zelfs iets zou moeten doen
May kunnen toestemming vragen
Might Misschien toestemming vragen
kunnen
Would Zou beleefde vragen wel of niet iets zou
gebeuren
Should Moeten Je zou iets eigenlijk moeten doen advies geven
Will Zal Er gaat iets in de toekomst gebeuren
Na can, may, must, shall, will en do komt een werkwoord zonder to!
Dit vervangt de noun om herhaling te voorkomen. Voorbeelden van pronouns zijn: he, she, which,
none, they.
Om naar het verleden of naar het heden te verwijzen gebruik je de volgende pronouns: it, this, that,
these, those.
Om woorden waar hij/zij kunnen staan (anyone, no one, somebody) kan je vervangen met they.
Possessive Adjective + noun
Example: my dog is big, Her cat is brown, their sister works downtown
My, your, his, her, its, our, their
Noun + Possessive pronouns
Example: The dog is mine, the brown cat is hers, the car is ours
Mine, yours, his, hers, its, ours, theirs
Instinker!
I’d like you to meet Rita. She’s a great friend of OURS (not us!)
Bezittelijke voornaamwoord van us is ours!
Modal perfect
De modal perfect bestaat uit een hulpwerkwoord die noodzakelijkheid (behoefte) en de
mogelijkheden uitdrukt. Voorbeelden hiervan zijn: shall, must, will, should, would, can, could, may,
might. Daar achter kom have en daarna komt de part pariciple (voltooid deelwoord) (woord + ed).
Er zijn twee vormen van modal perfect:
Kritiek of beoordelen op verleden acties Speculaties over het verleden of de toekomst
You really should have backed up the files I think the meeting may have finished now.
Dependent prepositions
Sommige werkwoorden worden gevolgd door voorzetsels voor een object of werkwoord.
Afhankelijke voorzetsels worden gevolgd bij een zelfstandig naamwoord (the/a/an voorzetten) of
door de gerund (-ing vorm)
Je hebt vormen met verbs + for, from, in, of, on, to, with, about, etc.
Can/could/must/may/might/would/should/will
Can kan Je kunt iets, toestemming
vragen
Could kon iets zou kunnen beleefd iets vragen
Must moet als je vindt dat je zelfs iets zou moeten doen
May kunnen toestemming vragen
Might Misschien toestemming vragen
kunnen
Would Zou beleefde vragen wel of niet iets zou
gebeuren
Should Moeten Je zou iets eigenlijk moeten doen advies geven
Will Zal Er gaat iets in de toekomst gebeuren
Na can, may, must, shall, will en do komt een werkwoord zonder to!