→ Dementie
De student kan dementie in het algemeen en de verschillende typen dementie omschrijven aan de
hand van de DSM-IV criteria.
A Geheugenstoornis (onvermogen nieuwe informatie te leren of zich eerder geleerde informatie
te herinneren).
B Cognitieve stoornis zoals blijkt uit één van de volgende: afasie, apraxie, agnosie of stoornis in de
executieve functies.
C De cognitieve stoornis veroorzaakt een belangrijke beperking in het sociaal of beroepsmatig
functioneren, betekent een significante achteruitgang ten opzichte van het vroegere, hogere
niveau van functioneren en komt niet uitsluitend voor tijdens het beloop van een delirium.
MCI: mild cognitive impairment = normale veroudering. Wanneer dit sneller gaat dan normaal, is de
kans op dementie verhoogd.
De student kan de overeenkomsten en verschillen aangeven tussen de ziekte van Alzheimer,
vasculaire dementie, frontaalkwabdementie en andere vormen van dementie.
Alzheimer (70%)
A Er is voldaan aan de criteria voor dementie.
B Het beloop wordt gekenmerkt door een geleidelijk begin en progressieve cognitieve
achteruitgang.
C De cognitieve stoornissen worden niet veroorzaakt door andere aandoeningen van het centraal
zenuwstelsel die progressieve stoornissen veroorzaken van het geheugen en andere cognitieve
functies (bijvoorbeeld door cerebrale infarcten), van systeemziekten waarvan bekend is dat
deze dementie veroorzaken (bijvoorbeeld hypothyreoïdie) of door gebruik van geneesmiddelen
of drugs.
Bij een vroege aanvangsleeftijd kenmerkt alzheimer zich door taal- en praktische stoornissen.
Bij een late onset Alzheimer zijn de eerste symptomen altijd geheugenproblemen en ontbreken
apraxie en taalstoornissen in ongeveer 40-60% van de gevallen. Bij Alzheimer zijn ook vaak
gedragsveranderingen te merken en prikkelbaarheid en waanachtige ideeën. Depressies bij 30%
van de patiënten (kan ook soms het eerste symptoom zijn).
Alzheimer ontstaat door vorming van de seniele plaques door een vouwfout in het amyloïd-bèta-
eiwit. Het mechanisme van het ontstaan van alzheimer is dus bekend, maar niet waarom deze
plaques ontstaan. Er kan amnesie, afasie, apraxie, agnosie voorkomen.
Vasculaire dementie (20%)
A Er is voldaan aan de criteria voor dementie.
B Er zijn aanwijzingen voor focale neurologische klachten en verschijnselen of
laboratoriumuitslagen die indicatief zijn voor een cerebrovasculaire ziekte die geacht wordt een
etiologisch verband te hebben met de dementie.
De oorzaak van vasculaire dementie ligt meestal in de voorgeschiedenis van de patiënt. Hart- en
vaatziekten, hartritmestoornissen, te hoog cholesterol en/of bloeddruk, diabetes of andere
aandoeningen aan de bloedvaten:
1