Anatomie en fysiologie
Hart en geleiding
Het hart
Het hart ligt in de borstholte, achter het borstbeen. Hij is zo groot als een vuist en de apex (hartpunt)
wijst een beetje naar links. De ventrikels liggen linksonder, de atria rechtsboven. Het hart is
opgebouwd uit twee holle spieren, de atriumspier en de ventrikelspier. Deze twee holle spieren zijn
van elkaar gescheiden door twee bindweefselringen: anuli fibrosi cordis. De linker- en
rechterharthelft wordt van elkaar gescheiden door het septum cordis). De hartwand bestaat uit drie
lagen (binnen naar buiten): endocardium, myocardium, pericardium.
Aan de binnenranden van de twee anuli fibrosi zitten bindweefselvliezen vast. Dit zijn de
hartkleppen. In gesloten toestand verhinderen ze dat het bloed tegen de eerdere stroomrichting in
terugstroomt. De twee hartkleppen tussen de atria en ventrikels heten atrioventriculaire kleppen.
Tussen de ventrikels en de aorta en longslagaders zitten de twee arteriële kleppen.
Een systole (actiefase) wordt steeds gevolgd door een diastole (rustfase). Elke hartactie duurt 0,8
seconde en bestaat uit drie fasen:
- Passieve vullingsfase (0,0 – 0,4 sec); rustfase van het hele hart
- Actieve vullingsfase (0,4 – 0,5 sec); beide atria contraheren onder invloed van impulsen uit
de sinusknoop
- Ventrikelsystolische fase (0,5 – 0,8 sec); isovolumetrische fase, ejectiefase, relaxatiefase
De hartcapaciteit is het vermogen van een ventrikel om per tijdseenheid een bepaalde hoeveelheid
bloed weg te pompen. Hiervoor wordt de eenheid hartminuutvolume gebruikt de hoeveelheid
bloed die het hart per minuut, per ventrikel wegpompt.
De route van het bloed in de lichaamscirculatie (grote bloedsomloop); linkerventrikel aorta
slagaders organen en weefsels aders holle aders rechteratrium rechterventrikel
De route van het bloed in de longcirculatie (kleine bloedsomloop); rechterventrikel longslagaders
longen longaders linkeratrium linkerventrikel
Uitwisseling van stoffen tussen bloed en weefselvocht gebeurt via de dunne wanden van de
capillairen. Twee soorten druk zijn hier aan de orde:
- Bloeddruk; het bloed wordt als ware dor de wand van het capillair geduwd
- Osmotische druk; veroorzaakt een zuigkracht waardoor vloeistof in het capillair getrokken
wordt.
ECG
- P-top; impulsen van de sinusknoop in het atriummyocard, waardoor de atria gaan
samentrekken
- PQ-segment; weerspiegelt de vertraagde prikkelgeleiding in de atrioventriculaire knoop
- Q-dal; verspreiding van de impulsen over het ventrikelseptum
- QRS-complex; representeert de prikkelinvasie van het ventrikelmyocard.
- ST-segment; geeft het wegebben van de prikkeltoestand van het ventrikel weer.
- T-top; hangt samen met het tot rusttoestand komen van het ventrikelmyocard.
Hart en geleiding
Het hart
Het hart ligt in de borstholte, achter het borstbeen. Hij is zo groot als een vuist en de apex (hartpunt)
wijst een beetje naar links. De ventrikels liggen linksonder, de atria rechtsboven. Het hart is
opgebouwd uit twee holle spieren, de atriumspier en de ventrikelspier. Deze twee holle spieren zijn
van elkaar gescheiden door twee bindweefselringen: anuli fibrosi cordis. De linker- en
rechterharthelft wordt van elkaar gescheiden door het septum cordis). De hartwand bestaat uit drie
lagen (binnen naar buiten): endocardium, myocardium, pericardium.
Aan de binnenranden van de twee anuli fibrosi zitten bindweefselvliezen vast. Dit zijn de
hartkleppen. In gesloten toestand verhinderen ze dat het bloed tegen de eerdere stroomrichting in
terugstroomt. De twee hartkleppen tussen de atria en ventrikels heten atrioventriculaire kleppen.
Tussen de ventrikels en de aorta en longslagaders zitten de twee arteriële kleppen.
Een systole (actiefase) wordt steeds gevolgd door een diastole (rustfase). Elke hartactie duurt 0,8
seconde en bestaat uit drie fasen:
- Passieve vullingsfase (0,0 – 0,4 sec); rustfase van het hele hart
- Actieve vullingsfase (0,4 – 0,5 sec); beide atria contraheren onder invloed van impulsen uit
de sinusknoop
- Ventrikelsystolische fase (0,5 – 0,8 sec); isovolumetrische fase, ejectiefase, relaxatiefase
De hartcapaciteit is het vermogen van een ventrikel om per tijdseenheid een bepaalde hoeveelheid
bloed weg te pompen. Hiervoor wordt de eenheid hartminuutvolume gebruikt de hoeveelheid
bloed die het hart per minuut, per ventrikel wegpompt.
De route van het bloed in de lichaamscirculatie (grote bloedsomloop); linkerventrikel aorta
slagaders organen en weefsels aders holle aders rechteratrium rechterventrikel
De route van het bloed in de longcirculatie (kleine bloedsomloop); rechterventrikel longslagaders
longen longaders linkeratrium linkerventrikel
Uitwisseling van stoffen tussen bloed en weefselvocht gebeurt via de dunne wanden van de
capillairen. Twee soorten druk zijn hier aan de orde:
- Bloeddruk; het bloed wordt als ware dor de wand van het capillair geduwd
- Osmotische druk; veroorzaakt een zuigkracht waardoor vloeistof in het capillair getrokken
wordt.
ECG
- P-top; impulsen van de sinusknoop in het atriummyocard, waardoor de atria gaan
samentrekken
- PQ-segment; weerspiegelt de vertraagde prikkelgeleiding in de atrioventriculaire knoop
- Q-dal; verspreiding van de impulsen over het ventrikelseptum
- QRS-complex; representeert de prikkelinvasie van het ventrikelmyocard.
- ST-segment; geeft het wegebben van de prikkeltoestand van het ventrikel weer.
- T-top; hangt samen met het tot rusttoestand komen van het ventrikelmyocard.