Hoorcollege 4 Pre-operationele fase van Piaget = 2- 6 jaar fase (zie overzicht vanaf blz. 348)
- 2-4 = preconceptuele fase
Magisch denken > er wordt geen onderscheid tussen fantasie en
werkelijkheid (vb. is het doen-alsof-spel). Ook wordt het gebrek aan kennis
en logica opgevuld met ‘magie’ (als oma doodgaat komt er een nieuwe oma).
Animisme > levensloze dingen krijgen gevoelens/ een ziel.
Egocentrisch denken > denken en doen vanuit eigen perspectief. (Bijna) niet
kunnen verplaatsen in een ander.
Artificialisme > natuurlijke verschijnselen (bv. Ziekte) zijn door en voor
mensen gemaakt (regen is om in plassen te kunnen springen).
Transductief denken > er wordt een verkeerd gevolg aan de oorzaak
gekoppeld. Bijgeloof.
- 4-6 = intuïtieve fase
Denken is irreversibel > dingen kunnen niet ongedaan worden gemaakt.
Geen conservatiebegrip > het begrip dat iets feitelijk niet verandert als het
een andere vorm aanneemt (kinderen snappen niet dat een groter cadeau
niet per sé meer waard is dan een kleiner cadeau).
Eendimensionaal > er kan op 1 dimensie tegelijk gefocust worden.
Moraliteit – Piaget / Kohlberg
- Piaget
Heteronome moraliteit > regels zijn absoluut en onveranderbaar, het gaat
om het gevolg/de schade, niet om de intentie (4-6/7 jaar)
Autonome moraliteit > moreel relativisme. Normen zijn persoonsgebonden;
er is onderscheid mogelijk tussen noodzakelijke en minder zinvolle regels
(10-12 jaar)
- Kohlberg
Preconventioneel
Fase 1: straf en gehoorzaamheid. Straf vermijden.
Fase 2: instrumentele oriëntatie. Eigenbelang is leidend en goed
gedrag wordt beloond.
Conventioneel
Fase 3: interpersoonlijke oriëntatie. Afkeuring vermijden/aardig
gevonden worden (reactie van anderen is lijdend).
Fase 4: oriëntatie op plichten en wetten. De wet= de wet, daar valt
niks aan te veranderen. Je moet je áltijd houden aan wat er
opgeschreven staat. = letter van de wet.
- 2-4 = preconceptuele fase
Magisch denken > er wordt geen onderscheid tussen fantasie en
werkelijkheid (vb. is het doen-alsof-spel). Ook wordt het gebrek aan kennis
en logica opgevuld met ‘magie’ (als oma doodgaat komt er een nieuwe oma).
Animisme > levensloze dingen krijgen gevoelens/ een ziel.
Egocentrisch denken > denken en doen vanuit eigen perspectief. (Bijna) niet
kunnen verplaatsen in een ander.
Artificialisme > natuurlijke verschijnselen (bv. Ziekte) zijn door en voor
mensen gemaakt (regen is om in plassen te kunnen springen).
Transductief denken > er wordt een verkeerd gevolg aan de oorzaak
gekoppeld. Bijgeloof.
- 4-6 = intuïtieve fase
Denken is irreversibel > dingen kunnen niet ongedaan worden gemaakt.
Geen conservatiebegrip > het begrip dat iets feitelijk niet verandert als het
een andere vorm aanneemt (kinderen snappen niet dat een groter cadeau
niet per sé meer waard is dan een kleiner cadeau).
Eendimensionaal > er kan op 1 dimensie tegelijk gefocust worden.
Moraliteit – Piaget / Kohlberg
- Piaget
Heteronome moraliteit > regels zijn absoluut en onveranderbaar, het gaat
om het gevolg/de schade, niet om de intentie (4-6/7 jaar)
Autonome moraliteit > moreel relativisme. Normen zijn persoonsgebonden;
er is onderscheid mogelijk tussen noodzakelijke en minder zinvolle regels
(10-12 jaar)
- Kohlberg
Preconventioneel
Fase 1: straf en gehoorzaamheid. Straf vermijden.
Fase 2: instrumentele oriëntatie. Eigenbelang is leidend en goed
gedrag wordt beloond.
Conventioneel
Fase 3: interpersoonlijke oriëntatie. Afkeuring vermijden/aardig
gevonden worden (reactie van anderen is lijdend).
Fase 4: oriëntatie op plichten en wetten. De wet= de wet, daar valt
niks aan te veranderen. Je moet je áltijd houden aan wat er
opgeschreven staat. = letter van de wet.