neuroscience
Hoofdstuk 1: Inleiding
Cognitie = verschillende hogere mentale processen zoals denken, waarnemen,
voorspellen en spreken.
Cognitieve psychologie = bestudeert de functies van de cognitie (perceptie, geheugen,
taal).
Neurowetenschap = bestudeert het zenuwstelsel (neuroanatomie, neurotransmitters,
genetische mechanismen).
Cognitieve neurowetenschap = vormt een brug tussen cognitieve psychologie en
cognitieve wetenschap. Het verklaart cognitieve processen in de mechanismen van het
brein.
Mind-body problem = hoe kan een fysieke substantie (de hersenen) zorgen voor onze
gevoelens, gedachtes en emoties (onze ‘mind’). Hierover zijn twee verschillende
stromingen:
- Dualisme (Descartes) = de mind en hersenen hebben interactie door de
pijnappelklier. Het wordt gezien als onderdeel van het endocriene systeem =
regelsysteem van klieren.
- Reductionisme (Churchland) = cognitieve mind-based concepten zijn nuttig
voor wetenschappelijk onderzoek, maar zullen uiteindelijk vervangen worden
door pure biologische constructen.
Dual aspect theory (Spinoza) = de mind en hersenen zijn niet twee verschillende
dingen, ze zitten op hetzelfde niveau.
Aristoteles dacht dat cognitie meer een product van het hart was dan van de hersenen.
Versalius, ook wel de vader van de moderne anatomie genoemd, tekende al in zijn tijd de
anatomie van de hersenen. Hij tekende de subcortex heel gedetailleerd, het gebied daar
omheen slechts schematisch. Reden: minder interesse hierin.
Gall en Spurzheim gaven pas écht een duidelijke weergaven van de hersenen.
Phrenology = het gefaalde idee dat men uit de vorm van de schedel bepaalde
eigenschappen kan afleiden nieuw idee: functional specialization = verschillende
gebieden in de hersenen staan voor verschillende functies.
Information processing (Broadbent) = cognitie bevat een grote reeks van
verwerkingsfases. Je verwijst hierbij niet naar de hersenen. De fases: input perception
attention short-term memory output.
Interactiviteit = verschillende fases zijn niet strikt van elkaar gescheiden. Soorten:
- Top-down processing = latere fases zijn al begonnen voordat eerdere fases zijn
afgelopen, hierdoor kunnen ze deze fases ook beïnvloeden.
- Parallel processing = verschillende info kan tegelijkertijd verwerkt worden.
Voordeel: heel veel data!
Nodes = eenvoudige informatiedragende eenheden.
1