College 1
Membraam bestaat uit een dubbele lipide laag. Binnenzijde membraam is hydrofoob, buitenzijde
hydrofiel. Stoffen kunnen door het membraam diffunderen door:
- Eiwitkanaal
- Direct door membraam→diffusie door concentratie verschil,
ladingsverschil(elektrochemische gradient)
Ionkanalen:
- Non-gated(lekkanalen altijd open)
- Gated(dicht tenzij..)→spanningsafhankelijk, transmitters-geactiveerd, 2d messenger
geactiveerd en mechanisch geactiveerd.
Hoe meet je de membraampotentiaal?
- Een micro elektrode de cel in. Je meet de binnenkant tov de buitenkant.
- Depolarisatie/ repolarisatie/hyperpolarisatie
In de cel, eiwitten(A-) die negatief geladen zijn→-70mv rustmembraam in de cel.
Evenwichtspotentiaal voor kalium→kalium gaat cel uit, cel wordt negatief
het wil de cel weer in. Hierin ontstaat een evenwicht.
Natrium cel in, positiever→ontstaat een
evenwichtspotentiaal(positief,+40)
Nernst vergelijking(evenwichtspotentiaal): deze is
afhankelijk van de concentratie verhoudingen.
Hoge concentratie K in de cel→cel uit, evenwichtspotentiaal negatiever.
Er zijn veel meer kalium lekkanalen, daarom zit het rustmembraam
potentiaal dichter bij kalium.
P is permeabiliteit.
Alle cellen hebben Na/K pompen, om het rustmembraam te behouden. Secundair actief
transport wordt ook hierbij geregeld. Het compenseerd,heft op de lekstromen.
CL heeft evenwichtpotentiaal van -76. Het heeft weinig effect op rustmembraam potentiaal.
Bij een actiepotentiaal is er een alles of niets drempel.
,Na kanalen gaan veel sneller open dan K kanalen. Na kanalen gaan
open door de membraamdepolarisatie. Verdere depolarisatie gaan
er nog meer Na kanalen open. Refractaire periode is het niet
mogelijk om direct nog een depolarisatie te krijgen.Door
inactivatie. Actiepotentiaal heeft een positieve feedback!
Toxine tegen spanningsafhankelijke Na+ kanalen: tetradotoxine TTX→
blokkeert Na+ stroom→geen actiepotentiaal.
Influx van natrium groter dan efflux van kalium→ dit is de drempel
Voortgeleidingsnelheid verhogen—>myelline scheden. Knoop van
Ranvier zitten de spanningsafhankelijke kanalen, alleen hier vindt een
actiepotentiaal plaats. Het springt van knoop naar knoop: saltorische
geleiding
Actiepotentialen worden altijd zonder verlies van amplitude voortgeleid over de axonen wel of niet
gemyeliniseerd.
College 3
Essentiele functies zenuwstelsel
- Coördinatie alle organen→homeostase
- Besturing bewegingen
- Bewustzijn
CZS→hersenen en ruggenmerg
PZS→ verbindt CZS met de buitenkant. Cellichamen in de ganglia
- Somatisch: dwars gestreept skeletspier→willekeurig
- Autonoom/vegetatief: glad spierweefsel en hard spierweefsel→onwillekeurig
- Sympatisch/parasympatisch
, Afferenten en efferenten.
Opbouw centraal zenuw stelsel
Witte en grijze stof: grijze stof is cellichaam van neuronen, witte stof zijn de axonen, vaak
gemyeliniseerd. Uit het ruggenmerg ontspringen vezels, ventrale en dorsale wortels.
Dorsale wortels: sensorische informatie, dorsale wortel ganglion→afferenten
Ventrale wortels: motorneuronen, axonen naar skeletspieren.
Nucleus caudatus→cellichamen van de neuronen..
12 paar hersenzenuwen→ontspringen van hersenen en hersenstam.
“op ons overdekte tuin terras at Frans verse groenten van albert heijn”.
“some say marry money but my brother says big brains matter most”.
Alle hersenzenuwen ontspringen aan de ventrale zijde, behalve de N IV:rostrale zijde.
- N.oflactorius(I)→sensorisch
- N. optic nerve→sensorisch
- Oculomotor nerve→motorisch
- Trochlearis nerve→motorisch
- Trigeminus nerve→beide
- Abducense nerve→motorisch
- Facialis nerve→beide
- Vestibulocochlearis nerve→evenwichtsorgaan en gehoor, sensorisch
- Glossapharyngealis nerve→gehemelte smaak, beide
- N. vagus→beide
- Accesoire nerve→motorisch
- Hypoglossale nerve→motorisch
30 paar spinale zenuwen: cervicaal, thorocaal, lumbaal,
sacraal.
Alleen maar wortels in het onderste deel→lumbaal.
Geen cellichamen hier.