Samenvatting: “Van leertheorie naar onderwijspraktijk” blz. 142 – 171:
§6.1:
Constructivisme en kennisleer:
Constructivisme is ontstaan uit de geringe transferwaarde van leerpsychologisch
onderzoek.
Constructivisme = De diversiteit aan benaderingen die vooral aan de schoolse
werkelijkheid/realiteit gekoppeld zijn.
Subjectieve werkelijkheid = De wereld om ons heen creëren/construeren we zelf.
Iedereen ervaart de werkelijkheid hierdoor anders.
Subjectieve kennis = Door de subjectieve werkelijkheid ontstaat als gevolg
subjectieve kennis.
Intersubjectieve kennis = Wanneer mensen vinden dat ze het over ‘hetzelfde’ hebben
terwijl ze met hun gesprekspartner aan het praten zijn.
(Als ze bijv. weten dat met ‘mooie, zwarte’ hond een
labrador wordt bedoeld).
Kortom:
Volgens het constructivisme construeren we onze kennis van de werkelijkheid en kunnen
we deze intersubjectief maken via communicatie.
Kennis is sociale kennis door interactie met anderen wordt het gevormd.
Leren is meer een constructieproces dan een informatieverwerkingsproces, zoals bij het
cognitivisme wordt beweerd).
§6.2:
Leren is een actief proces:
Leren is een actief, constructief (betekenisverlenend), cumulatief, zelfregulerend en doelgericht
proces (Shuel, 1998).
Leren is een actief proces:
Lerende moet iets met binnenkomende informatie doen (verwerken).
-Leerling moet betekenis aan informatie geven.
Leraar moet dus meer begeleider/coach zijn dan een kennisoverdrager.
Er is intern actief leren (dit doe je zelf) en interactief leren (leren met anderen).
-Peer tutoring (Betere lln. binnen een kennisdomein helpt een slechtere lln.).
-Samenwerkend leren; kennis wordt gedeelde kennis.
Leren is een betekenisverlenend/constructief proces:
Leren is het construeren/opbouwen van kennis.
Assimilatie = Info uit de omgeving wordt aangepast zodat het in de cognitieve
structuur past.