Samenvattingen hoorcolleges IPV leerjaar 2
Periode 1
2.1cIPV1: ontwikkelingspsychologie
Prenatale periode = conceptie-geboorte
Baby en peutertijd = geboorte tot 2 jaar
Peuter en kleutertijd = 2 tot 6 jaar
Schoolkind = 6 tot 12 jaar
Pubertijd en adolescentie = 12 tot 20 jaar
De studie van systematische veranderingen in het menselijk functioneren, gedurende de individuele
levensloop.
- Fysieke ontwikkeling
- Cognitieve ontwikkeling
- Psychosociale ontwikkeling
- Sociale ontwikkeling
Deze factoren hebben een wisselwerking met elkaar. De omgeving speelt een grote rol in de
ontwikkeling.
Nature = veranderingen en ontwikkelingen in gedrag wordt bepaald door de genen.
Nurture = gedragsveranderingen worden bepaald door de omgeving
Het is altijd een wisselwerking tussen de genen en de omgeving.
Universeel = de ontwikkeling is hetzelfde voor iedereen en dat iedereen door dezelfde fase van de
ontwikkeling gaat.
Specifiek = ieder persoon ontwikkelt zich op een individuele manier. Dit wordt beïnvloed door
bijvoorbeeld cultuur en geslacht.
Continu = geleidelijke ontwikkeling
Discontinu = stapsgewijze ontwikkeling waarbij verschillende stadia van ontwikkeling elkaar opvolgen
doormiddel van meer abrupte veranderingen
Ontwikkelingstheorieën
Operante conditionering (Skinner): leren door beloning/straffen
Cognitieve ontwikkelingstheorie (Piaget): Vier stadia van ontwikkeling
- Sensomotorische fase 0-2 jaar: kinderen hebben voornamelijk contact met hun omgeving
doormiddel van het gebruik van hun zintuigen (voelen, zien aanraken en horen).
- Pre operationele fase 2-6 jaar: kinderen representeren de wereld op een meer symbolische
wijze. Ze leren door symbolen te gebruiken zoals taal, gebaren en ze gebruiken hun
verbeelding. Ze gebruiken ook vaak magisch denken en hun fantasie. Ze kunnen nog geen
dingen inbeelden of voorstellen.
- Concreet operationele fase 7-12 jaar: Hierin ontwikkelen kinderen hun cognitieve
vaardigheden en zijn ze beter in staat om op een logische manier te denken.
- Formeel operationele fase vanaf ongeveer 12 jaar: Hierin leren kinderen over hun eigen
toekomst te denken en kunnen ze beter op hun eigen denken evalueren en reflecteren. Ze
leren ook op een meer abstracte manier te denken.
Piaget
Periode 1
2.1cIPV1: ontwikkelingspsychologie
Prenatale periode = conceptie-geboorte
Baby en peutertijd = geboorte tot 2 jaar
Peuter en kleutertijd = 2 tot 6 jaar
Schoolkind = 6 tot 12 jaar
Pubertijd en adolescentie = 12 tot 20 jaar
De studie van systematische veranderingen in het menselijk functioneren, gedurende de individuele
levensloop.
- Fysieke ontwikkeling
- Cognitieve ontwikkeling
- Psychosociale ontwikkeling
- Sociale ontwikkeling
Deze factoren hebben een wisselwerking met elkaar. De omgeving speelt een grote rol in de
ontwikkeling.
Nature = veranderingen en ontwikkelingen in gedrag wordt bepaald door de genen.
Nurture = gedragsveranderingen worden bepaald door de omgeving
Het is altijd een wisselwerking tussen de genen en de omgeving.
Universeel = de ontwikkeling is hetzelfde voor iedereen en dat iedereen door dezelfde fase van de
ontwikkeling gaat.
Specifiek = ieder persoon ontwikkelt zich op een individuele manier. Dit wordt beïnvloed door
bijvoorbeeld cultuur en geslacht.
Continu = geleidelijke ontwikkeling
Discontinu = stapsgewijze ontwikkeling waarbij verschillende stadia van ontwikkeling elkaar opvolgen
doormiddel van meer abrupte veranderingen
Ontwikkelingstheorieën
Operante conditionering (Skinner): leren door beloning/straffen
Cognitieve ontwikkelingstheorie (Piaget): Vier stadia van ontwikkeling
- Sensomotorische fase 0-2 jaar: kinderen hebben voornamelijk contact met hun omgeving
doormiddel van het gebruik van hun zintuigen (voelen, zien aanraken en horen).
- Pre operationele fase 2-6 jaar: kinderen representeren de wereld op een meer symbolische
wijze. Ze leren door symbolen te gebruiken zoals taal, gebaren en ze gebruiken hun
verbeelding. Ze gebruiken ook vaak magisch denken en hun fantasie. Ze kunnen nog geen
dingen inbeelden of voorstellen.
- Concreet operationele fase 7-12 jaar: Hierin ontwikkelen kinderen hun cognitieve
vaardigheden en zijn ze beter in staat om op een logische manier te denken.
- Formeel operationele fase vanaf ongeveer 12 jaar: Hierin leren kinderen over hun eigen
toekomst te denken en kunnen ze beter op hun eigen denken evalueren en reflecteren. Ze
leren ook op een meer abstracte manier te denken.
Piaget