Oefentoets 1
Universiteit van Tilburg
1. Het evolutionaire perspectief houdt zich bezig met ‐‐‐‐‐‐‐‐‐‐ tussen culturen terwijl het
sociocultureel perspectief zich bezighoudt ‐‐‐‐‐‐‐ tussen culturen
A normen, verschillen
B verschillen, gelijkenissen
C sociaalgedrag, groepsgedrag
D gelijkenissen, verschillen
2. Waarom vertellen sociaal‐psychologen het werkelijke doel van hun onderzoek liever niet tegen
de proefpersoon?
A Om ‘demand characteristics’ te vermijden
B interne validiteit vergroten
C externe validiteit vergroten
D alles is juist
3. Muraven en Baumeister vergelijken wilskracht met spieren omdat
A wilskracht in sterkte afneemt als het gebruikt wordt
B mensen hun wilskracht moeten opbouwen om het sterker te maken
C mannen een sterkere wilskracht hebben dan vrouwen
D alleen fysiek sterke mannen wilskracht hebben
4. Een injunctieve norm
A geeft informatie over wat we wel of niet zouden moeten doen
B geeft informatie over wat andere zouden moeten doen
C wordt altijd uitgesproken zodat hij expliciet gemaakt wordt
D voert weinig controle uit over het gedrag van mensen
5. Mensen die gemotiveerd zijn om accuraat te zijn hebben de neiging om hun aandacht te richtten
op;
A informatie die inconsistent is met hun eerste indruk
B informatie die consistent is met hun eerste indruk
C positieve informatie
D negatieve informatie
, 6. Mensen gebruiken de strategie van ‘staging performances’ om
A aardig over te komen
B competent over te komen
C machtig over te komen
D status te tonen
7. Welk v/d volgende individuen zal aardiger gevonden worden als hij/zij taak georiënteerd,
dominant gedrag uitdrukt?
A ’n vrouw die tegen ’n vrouw praat
B ’n vrouw die tegen ’n man praat
C ’n man die tegen ’n vrouw praat
D alle antwoorden zijn juist
8. Wat is het belangrijkste verschil tussen de Thurstone‐ en Likert‐schaal?
a. bij de Likert‐schaal kan de respondent niet aangeven in welke mate hij/zij het eens is met een
bepaalde uitspraak.
b. bij de Thurstone‐schaal kan de respondent niet aangeven in welke mate hij/zij het eens is met een
bepaalde uitspraak.
c. de Thurstone‐schaal is gebaseerd op lineairiteit
d. de Likert‐schaal is gebaseerd op rangordes
9. Stel dat iemand enorm van een theatervoorstelling heeft genoten. Vervolgens wordt hij
gevraagd om tegen een aantal twijfelende bezoekers te vertellen dat ze beter niet kunnen gaan,
omdat het niet leuk is. Wanneer zal deze persoon het meest last hebben van cognitieve
dissonantie?
a. wanneer hij voor elke overgehaalde bezoeker 5 euro ontvangt.
b. wanneer hij voor elke overgehaalde bezoeker 50 euro ontvangt.
c. wanneer hij weigert te liegen.
d. wanneer hij weigert te liegen, en voor elke overgehaalde bezoeker 50 euro ontvangt.
10. In een studie van Cooper, Bennett & Sukel (1996) bleek dat een jurylid meest overtuigd werd
door een getuige die ____ expert was en in _____ taal sprak.
a. matig; complexe, haast onbegrijpelijke
b. matig; normale, goed begrijpelijke
c. groot; complexe, haast onbegrijpelijke
d. groot; normale, goed begrijpelijke