Management en organisatie
Les 1: H2, 3.1-3.3
Onstaan van management en organisatie
“Behoefte om op een gestructureerde wijze na te denken over en vat te krijgen op oraganisaties en
wat erin gebeurt.”
- Ontstaan door groei van de economie, technologische ontwikkelingen, complexer en groter
worden van het bedrijfsleven.
o Wereldmachten
o Innovaties
Denkrichtingen
- Machiavelli (1469-1527) – filosoof, diplomaat en schrijver
- Adam Smith (1723-1790) – grondlegger van de moderne economie
o Arbeid als basis voor de welvaart
o Arbeidsproductiviteit: hoeveelheid productie in bepaalde tijd
o Arbeidsverdeling: specialisatie (wat kan iemand, wat kan iemand niet, er wordt
gekeken naar kwaliteiten.
Scientific Management - Frederick Taylor (±1900)
Een bedrijfsleider moet zich niet opstellen als slavendrijver, maar een brede visie hebben op zijn taak
in de organisatie en die bestaat uit plannen, coördineren, toezicht uitoefenen en het controleren van
resultaten.
Grondlegger van een meer systematische benadering van bedrijfsvoering.
Hoofdpunten:
- Een wetenschappelijke analyse van de werkzaamheden en het uitvoeren van
bewegingsstudies.
- Een vergaande taakverdeling en training van de arbeiders, waarbij elke handeling en
beweging precies is voorgeschreven; hierdoor krijgt de arbeider een hoge routine, waardoor
weer hogere productienormen gehaald kunnen worden.
- Een hechte en vriendschappelijke samenwerking tussen leiding en arbeiders.
- De bedrijfsleiders zijn verantwoordelijk voor het analyseren van en het zoeken naar
werkmethoden en het scheppen van productievoorwaarden; voorheen werd dit naar de
uitvoering geschoven.
- De juiste man op de juiste plaats door zorgvuldige selectie.
- Het invoeren van prestatiebeloning met als doel te komen tot lagere productiekosten.
Achtbazenstelsel Taylor: aparte functionaris voor productieafdelingen
- Tijd en kosten
- Werkinstructies
- Bewerkingen en hun volgorde
- Werkvoorbereiding en uitgifte
- Onderhoud
- Kwaliteitscontrole
- Technische leiding
- Personeelsbeheer
taakverdeling -> specialisatie, verantwoordelijk dus hij kan aangesproken worden.
,Vroeger: gefocused op wat er niet goed gaat – demotiverend
Tegenwoordig: gefocused op wat er wel goed gaat
General Management theorie – Henry Fayol (±1900)
Hij was de eerste in Europa die een samenhangend stelsel van opvattingen ontwikkelde over de wijze
waarop organisaties in hun geheel bestuurd zouden moeten worden.
Door zijn invloed kwam er meer aandacht voor taken van de manager
Enkele hoofdpunten:
- Theorie van het algemene management
- Bedoeld als onderwijsmodel
- 6 managementgebieden
- Besturing managers gebieden belangrijkst
Fayol zijn bijdrage was nadrukkelijk gericht op de gehele organisatie. Dit in tegenstelling tot Taylor
die zich vooral richtte op de productieafdeling
General Management-theorie legt verbanden tussen de managementgebieden en de
managementtaken.
Hij onderscheidde 6 onafhankelijke managementgebieden (onderste rij). De besturing zorgt voor de
onderlinge samenhang op de overige gebieden. Deze besturing is het balangrijkste onderdeel van de
functie managers en bestaat uit 5 taken (bovenste rij)
- Plannen of vooruitzien – Het opstellen van een actieplan voor de toekomst
- Organiseren – De opbouw van de organisatie met mensen en middelen
- Bevel voeren – Ervoor zorgen dat mensen aan het werk blijven
- Coördineren - Het onderling afstemmen van de activiteiten
- Controleren – erop toezien dat de resultaten in overeenstemming met het plan zijn.
Grondbeginselen van management van Fayol
1. Verdeling van arbeid.
2. Autoriteit.
3. Discipline.
4. Eenheid van gezag.
5. Eenheid van richting.
6. Ondergeschiktheid van indviduele belangen aan het algemene belang. – individu onderdeel
van het eindproduct
7. Vergoeding.
8. Centralisatie.
9. Hiërarchie. - duidelijk bestuur
, 10. Volgorde. (JIT) – Just In Time – alles zoals vooraf gepland
11. Rechtvaardigheid.
12. Stabiele invulling van arbeid.
13. Initiatief.
14. Teamgeest.
Nummer 6 en 14 hangen samen; geen individuele belang meer maar gezamenlijk
Human Relations beweging – Elton Mayo (±1945)
Van 1927 tot 1947 voerde die een serie experimenten uit waarbij hij het verband onderzocht tussen
verbetering van werkomstandigheden en de productiviteit. Elke verandering gaf een stijging van de
productie en de personen voelden zich minder vermoeid.
Sociale kant. Ontwikkeling en zekerheid bieden voor een individu ( naar een oplossing toe werken om
iets te verbeteren )
Sociale vaardigheden: hoe prikkel je ze, hoe benader je iemand, hoe steekt iemand in elkaar.
Mayo bewees met zijn experimenten dat er naast objectieve factoren ook subjectieve factoren zijn
voor het resultaat.
Subjectieve factoren: aandacht, zekerheid, bij de groep horen en waardering
Sociale vaardigheden zijn dus voor leidinggevenden zeer belangrijk.
Het grote belang van de beweging ligt vooral in het ontdekken van het belang van menselijke
factoren voor de effectiviteit.
Bureaucratie – Weber (±1920)
Bijdrage van Weber vooral gericht op overheidsorganisaties en grote bedrijven vanuit een
sociologische invalshoek. Keek naar het sociale vlak ipv puur naar de organisatie.
Kenmerken van een ideale bureaucratie:
1. Sterk doorgevoerde taakverdeling
2. Hiërarchische bevelstructuur
3. Nauwkeurig afgebakende bevoegdheden en verantwoordelijkheden
4. Onpersoonlijke relaties tussen functionarissen
5. Werving op basis van bekwaamheden en kennis
6. Bevordering en beloning op basis van objectieve criteria en procedures
7. Uitvoering van werkzaamheden volgens vaste routineregels
8. Gegevens zijn vastgelegd in schriftelijke stukken
9. De macht van functionarissen is aan restrictes gebonden
Les 1: H2, 3.1-3.3
Onstaan van management en organisatie
“Behoefte om op een gestructureerde wijze na te denken over en vat te krijgen op oraganisaties en
wat erin gebeurt.”
- Ontstaan door groei van de economie, technologische ontwikkelingen, complexer en groter
worden van het bedrijfsleven.
o Wereldmachten
o Innovaties
Denkrichtingen
- Machiavelli (1469-1527) – filosoof, diplomaat en schrijver
- Adam Smith (1723-1790) – grondlegger van de moderne economie
o Arbeid als basis voor de welvaart
o Arbeidsproductiviteit: hoeveelheid productie in bepaalde tijd
o Arbeidsverdeling: specialisatie (wat kan iemand, wat kan iemand niet, er wordt
gekeken naar kwaliteiten.
Scientific Management - Frederick Taylor (±1900)
Een bedrijfsleider moet zich niet opstellen als slavendrijver, maar een brede visie hebben op zijn taak
in de organisatie en die bestaat uit plannen, coördineren, toezicht uitoefenen en het controleren van
resultaten.
Grondlegger van een meer systematische benadering van bedrijfsvoering.
Hoofdpunten:
- Een wetenschappelijke analyse van de werkzaamheden en het uitvoeren van
bewegingsstudies.
- Een vergaande taakverdeling en training van de arbeiders, waarbij elke handeling en
beweging precies is voorgeschreven; hierdoor krijgt de arbeider een hoge routine, waardoor
weer hogere productienormen gehaald kunnen worden.
- Een hechte en vriendschappelijke samenwerking tussen leiding en arbeiders.
- De bedrijfsleiders zijn verantwoordelijk voor het analyseren van en het zoeken naar
werkmethoden en het scheppen van productievoorwaarden; voorheen werd dit naar de
uitvoering geschoven.
- De juiste man op de juiste plaats door zorgvuldige selectie.
- Het invoeren van prestatiebeloning met als doel te komen tot lagere productiekosten.
Achtbazenstelsel Taylor: aparte functionaris voor productieafdelingen
- Tijd en kosten
- Werkinstructies
- Bewerkingen en hun volgorde
- Werkvoorbereiding en uitgifte
- Onderhoud
- Kwaliteitscontrole
- Technische leiding
- Personeelsbeheer
taakverdeling -> specialisatie, verantwoordelijk dus hij kan aangesproken worden.
,Vroeger: gefocused op wat er niet goed gaat – demotiverend
Tegenwoordig: gefocused op wat er wel goed gaat
General Management theorie – Henry Fayol (±1900)
Hij was de eerste in Europa die een samenhangend stelsel van opvattingen ontwikkelde over de wijze
waarop organisaties in hun geheel bestuurd zouden moeten worden.
Door zijn invloed kwam er meer aandacht voor taken van de manager
Enkele hoofdpunten:
- Theorie van het algemene management
- Bedoeld als onderwijsmodel
- 6 managementgebieden
- Besturing managers gebieden belangrijkst
Fayol zijn bijdrage was nadrukkelijk gericht op de gehele organisatie. Dit in tegenstelling tot Taylor
die zich vooral richtte op de productieafdeling
General Management-theorie legt verbanden tussen de managementgebieden en de
managementtaken.
Hij onderscheidde 6 onafhankelijke managementgebieden (onderste rij). De besturing zorgt voor de
onderlinge samenhang op de overige gebieden. Deze besturing is het balangrijkste onderdeel van de
functie managers en bestaat uit 5 taken (bovenste rij)
- Plannen of vooruitzien – Het opstellen van een actieplan voor de toekomst
- Organiseren – De opbouw van de organisatie met mensen en middelen
- Bevel voeren – Ervoor zorgen dat mensen aan het werk blijven
- Coördineren - Het onderling afstemmen van de activiteiten
- Controleren – erop toezien dat de resultaten in overeenstemming met het plan zijn.
Grondbeginselen van management van Fayol
1. Verdeling van arbeid.
2. Autoriteit.
3. Discipline.
4. Eenheid van gezag.
5. Eenheid van richting.
6. Ondergeschiktheid van indviduele belangen aan het algemene belang. – individu onderdeel
van het eindproduct
7. Vergoeding.
8. Centralisatie.
9. Hiërarchie. - duidelijk bestuur
, 10. Volgorde. (JIT) – Just In Time – alles zoals vooraf gepland
11. Rechtvaardigheid.
12. Stabiele invulling van arbeid.
13. Initiatief.
14. Teamgeest.
Nummer 6 en 14 hangen samen; geen individuele belang meer maar gezamenlijk
Human Relations beweging – Elton Mayo (±1945)
Van 1927 tot 1947 voerde die een serie experimenten uit waarbij hij het verband onderzocht tussen
verbetering van werkomstandigheden en de productiviteit. Elke verandering gaf een stijging van de
productie en de personen voelden zich minder vermoeid.
Sociale kant. Ontwikkeling en zekerheid bieden voor een individu ( naar een oplossing toe werken om
iets te verbeteren )
Sociale vaardigheden: hoe prikkel je ze, hoe benader je iemand, hoe steekt iemand in elkaar.
Mayo bewees met zijn experimenten dat er naast objectieve factoren ook subjectieve factoren zijn
voor het resultaat.
Subjectieve factoren: aandacht, zekerheid, bij de groep horen en waardering
Sociale vaardigheden zijn dus voor leidinggevenden zeer belangrijk.
Het grote belang van de beweging ligt vooral in het ontdekken van het belang van menselijke
factoren voor de effectiviteit.
Bureaucratie – Weber (±1920)
Bijdrage van Weber vooral gericht op overheidsorganisaties en grote bedrijven vanuit een
sociologische invalshoek. Keek naar het sociale vlak ipv puur naar de organisatie.
Kenmerken van een ideale bureaucratie:
1. Sterk doorgevoerde taakverdeling
2. Hiërarchische bevelstructuur
3. Nauwkeurig afgebakende bevoegdheden en verantwoordelijkheden
4. Onpersoonlijke relaties tussen functionarissen
5. Werving op basis van bekwaamheden en kennis
6. Bevordering en beloning op basis van objectieve criteria en procedures
7. Uitvoering van werkzaamheden volgens vaste routineregels
8. Gegevens zijn vastgelegd in schriftelijke stukken
9. De macht van functionarissen is aan restrictes gebonden