Samenvatting hoofdstuk 7 – Economie, verzorgingsstaat en politiek Sociologie Periode 1
7.1 De economie: een historisch overzicht
Sociale institutie = een belangrijk sociaal ovensterrein of maatschappelijk subsysteem dat aan de
behoeften van mensen tegemoet moet komen
Voorbeelden van sociale instituties:
- het gezin - economie - onderwijs
- religie - politiek - gezondheidszorg
Economie = de sociale institutie die de productie, de distributie en de consumptie van goederen en
diensten in een samenleving organiseert
Goederen = producten die variëren van noodzakelijke (bv. voedsel, kleding en onderdak) tot
luxegoederen (bv. luxe auto’s, juwelen en jachten)
Diensten = activiteiten die mensen ten goede komen (bv. artsen en leraren)
De hedendaagse economie in de westerse wereld is vooral een diensteneconomie, het meeste werk
bestaat uit wederzijdse dienstverlening.
7.1.1 De landbouwrevolutie
Vier factoren die de economie tot een zelfstandige sociale institutie maakte:
1. Landbouwtechnologie
2. Gespecialiseerde arbeid
3. Permanente vestigingen
4. Handel
Ongeveer 5000 jaar geleden begonnen mensen met behulp van dieren het land te bewerken. Er
ontstonden overschotten dus niet iedereen hoefde zich meer met de voedselproductie bezig te
houden. Er kwamen gespecialiseerde activiteiten, zoals maken van gereedschap, fokken van dieren,
enz. Er ontstonden kleine steden, onderling verbonden door netwerken van handelaren.
7.1.2 De industriële revolutie
Vijf economische veranderingen (2e technologische revolutie), halverwege de 18e eeuw:
1. Nieuwe energiebronnen
Vroeger was het spierkracht van mens en dier, maar in 1765 kwam de stoommachine. De
stoommachine was honderd keer sterker dan spierkracht en dreef zware machines aan
2. Het centraliseren van de arbeid in fabrieken
Door de stoommachines verplaatste het werk zich van thuis naar fabrieken. Zo ontstond ook een
scheiding tussen werk (het publieke domein) en thuis (het private domein)
3. Fabricage en massaproductie
Eerst werden de grondstoffen verbouwd, maar in een industriële economie verschuift het accent
naar het verwerken ervan tot een groot aantal zeer uiteenlopende producten
4. Specialisatie
Eerst vervaardigen mensen hun producten van begin tot eind zelf. In een fabriek leveren arbeiders
maar een kleine bijdrage aan het eindproduct, omdat ze steeds dezelfde handeling uitvoeren
,5. Loonarbeid
Fabrieksarbeiders stellen hun arbeidskracht ter beschikking (tegen betaling) aan mensen die
onbekenden voor hen zijn en vaak meer om de machines geven dan de arbeiders
De industriële revolutie zorgde voor de introductie van nieuwe producten op een markt zich
voortduren uitbreidde. Dit leidde tot een verhoging van de levensstandaard. De voordelen van deze
revolutie werden, vooral in het begin, zeer oneerlijk verdeeld. Op den duur organiseerden arbeiders
zich in vakbonden die voor hun collectieve belangen opkwamen.
Veranderingen in Nederland:
- kinderarbeid wordt verboden (1874 via Kinderwetje van Van Houten)
- minimumloon wordt ingevoerd
- veiligheid van de werkplek wordt verbeterd
- de eerste ongevallenwet wordt ingevoerd (1991 Schwitters)
- groot deel van de bevolking volgt langer onderwijs en krijgt meer politieke rechten
7.1.3 De informatierevolutie en de postindustriële samenleving
Postindustriële economie = een productiestelsel dat gebaseerd is op dienstverlening en een
geavanceerde technologie
Automatisering leidde tot een afname van het aantal in de productie werkzame mensen. Het
postindustriële tijdperk wordt gemarkeerd door een verschuiving van industriële naar
dienstverlenende arbeid.
Een grote technologische doorbraak, de computer, zorgde voor een informatierevolutie. Deze heeft
ook weer nieuwe productsoorten en wijzen van communiceren geïntroduceerd en het karakter van
de arbeid veranderd.
Drie grote veranderingen naar aanleiding van de informatierevolutie:
1. Van concrete producten naar ideeën
In het postindustriële tijdperk werken mensen met symbolen i.p.v. gefocust te zijn op productie
2. Van mechanische vaardigheden naar communicatieve vaardigheden
De informatierevolutie vraagt om communicatie vaardigheden: praten, schrijven, computer-
vaardigheden. Voor mensen die effectief kunnen communiceren ontstaan nieuwe mogelijkheden,
andere mensen hebben minder kansen
3. Van fabrieken naar waar dan ook
Eerste werd het werk vooral in de fabrieken verricht. Nu kunnen mensen vrijwel overal werken,
dankzij de computertechnologie. Het Nieuwe Werken (HNW) is in opkomst
Het Nieuwe Werken (HNW) = werken dat uitgaat van plaats- en tijdonafhankelijk werken
7.1.4 Economische sectoren
De genoemde revoluties weerspiegelen een verschuiving in het evenwicht tussen de drie
economische sectoren in een samenleving.
Primaire sector = het deel van de economie dat grondstoffen aan de natuurlijke omgeving onttrekt
, Denk hierbij aan landbouw en veeteelt, veefokkerij, etc. Deze sector is het grootst in lage-
inkomenslanden.
Secundaire sector = het deel van de economie dat grondstoffen in goederen omzet.
Denk hierbij aan het bewerken van metalen om er gereedschap van te maken. De globalisering van
industrie betekent dat in vrijwel alle landen een belangrijk deel van de beroepsbevolking werkzaam is
in deze sector. Nederland is echter meer een handelsland en is er dus een kleine secundaire sector.
Tertiaire sector = het deel van de economie waarin het niet zozeer om goederen gaat maar om
diensten
Deze sector groeit door de industrialisering en domineert de economieën van
middeninkomenslanden en postindustriële hoge-inkomenslanden. In Nederland is ongeveer
driekwart van de beroepsbevolking werkzaam in de dienstensector.
7.1.5 De wereldeconomie
Wereldeconomie = grensoverschrijdende economische activiteiten (vooral producten uit China, etc.)
Gevolgen naar aanleiding van de ontwikkeling van een mondiale economie:
1. Mondiale arbeidsverdeling, specialisaties in een bepaalde sector van de economie
Bv. de economie van de armste landen bestaat voor een groot deel uit landbouw
2. Steeds meer producten worden via meerdere landen doorgevoerd
Bv. koffiebonen uit Colombia, vervoerd door een Amerikaans schip, gemaakt van Japans staal
3. Nationale regeringen controleren niet langer de economische activiteiten die zich binnen hun
landsgrenzen afspelen (muntsoorten worden op financiële markten in o.a. Londen verhandeld)
4. Een klein aantal internationaal opererende bedrijven controleert een groot deel van de
economische activiteiten
5. De globalisering van de economie beïnvloedt het leven van werknemers in Nederland
Bv. banenverlies doordat vooral laaggeschoold werk overgenomen wordt door o.a. India en China
7.2 Economische stelsel: op weg naar een rechtvaardige wereld
De economie van een land bepaalt wie wat krijgt, waaruit we kunnen afleiden in hoeverre een
samenleving een rechtvaardige verdeling nastreeft. Het kapitalisme en socialisme zijn twee
algemene economische modellen.
7.2.1 Kapitalisme
Kapitalisme = een economisch systeem waarin de natuurlijke rijkdommen en de middelen om
goederen en diensten te produceren in particuliere handen zijn
Drie opvallende kenmerken van een ideale kapitalistische economie:
1. Privébezit of privé-eigendom
Hoe kapitalistischer een economie, hoe meer particulier bezit.
2. Persoonlijk winststreven
De samenleving streeft naar winst en welvaart. In de economie draait het om geld verdienen
3. Concurrentie en consumentengedrag
7.1 De economie: een historisch overzicht
Sociale institutie = een belangrijk sociaal ovensterrein of maatschappelijk subsysteem dat aan de
behoeften van mensen tegemoet moet komen
Voorbeelden van sociale instituties:
- het gezin - economie - onderwijs
- religie - politiek - gezondheidszorg
Economie = de sociale institutie die de productie, de distributie en de consumptie van goederen en
diensten in een samenleving organiseert
Goederen = producten die variëren van noodzakelijke (bv. voedsel, kleding en onderdak) tot
luxegoederen (bv. luxe auto’s, juwelen en jachten)
Diensten = activiteiten die mensen ten goede komen (bv. artsen en leraren)
De hedendaagse economie in de westerse wereld is vooral een diensteneconomie, het meeste werk
bestaat uit wederzijdse dienstverlening.
7.1.1 De landbouwrevolutie
Vier factoren die de economie tot een zelfstandige sociale institutie maakte:
1. Landbouwtechnologie
2. Gespecialiseerde arbeid
3. Permanente vestigingen
4. Handel
Ongeveer 5000 jaar geleden begonnen mensen met behulp van dieren het land te bewerken. Er
ontstonden overschotten dus niet iedereen hoefde zich meer met de voedselproductie bezig te
houden. Er kwamen gespecialiseerde activiteiten, zoals maken van gereedschap, fokken van dieren,
enz. Er ontstonden kleine steden, onderling verbonden door netwerken van handelaren.
7.1.2 De industriële revolutie
Vijf economische veranderingen (2e technologische revolutie), halverwege de 18e eeuw:
1. Nieuwe energiebronnen
Vroeger was het spierkracht van mens en dier, maar in 1765 kwam de stoommachine. De
stoommachine was honderd keer sterker dan spierkracht en dreef zware machines aan
2. Het centraliseren van de arbeid in fabrieken
Door de stoommachines verplaatste het werk zich van thuis naar fabrieken. Zo ontstond ook een
scheiding tussen werk (het publieke domein) en thuis (het private domein)
3. Fabricage en massaproductie
Eerst werden de grondstoffen verbouwd, maar in een industriële economie verschuift het accent
naar het verwerken ervan tot een groot aantal zeer uiteenlopende producten
4. Specialisatie
Eerst vervaardigen mensen hun producten van begin tot eind zelf. In een fabriek leveren arbeiders
maar een kleine bijdrage aan het eindproduct, omdat ze steeds dezelfde handeling uitvoeren
,5. Loonarbeid
Fabrieksarbeiders stellen hun arbeidskracht ter beschikking (tegen betaling) aan mensen die
onbekenden voor hen zijn en vaak meer om de machines geven dan de arbeiders
De industriële revolutie zorgde voor de introductie van nieuwe producten op een markt zich
voortduren uitbreidde. Dit leidde tot een verhoging van de levensstandaard. De voordelen van deze
revolutie werden, vooral in het begin, zeer oneerlijk verdeeld. Op den duur organiseerden arbeiders
zich in vakbonden die voor hun collectieve belangen opkwamen.
Veranderingen in Nederland:
- kinderarbeid wordt verboden (1874 via Kinderwetje van Van Houten)
- minimumloon wordt ingevoerd
- veiligheid van de werkplek wordt verbeterd
- de eerste ongevallenwet wordt ingevoerd (1991 Schwitters)
- groot deel van de bevolking volgt langer onderwijs en krijgt meer politieke rechten
7.1.3 De informatierevolutie en de postindustriële samenleving
Postindustriële economie = een productiestelsel dat gebaseerd is op dienstverlening en een
geavanceerde technologie
Automatisering leidde tot een afname van het aantal in de productie werkzame mensen. Het
postindustriële tijdperk wordt gemarkeerd door een verschuiving van industriële naar
dienstverlenende arbeid.
Een grote technologische doorbraak, de computer, zorgde voor een informatierevolutie. Deze heeft
ook weer nieuwe productsoorten en wijzen van communiceren geïntroduceerd en het karakter van
de arbeid veranderd.
Drie grote veranderingen naar aanleiding van de informatierevolutie:
1. Van concrete producten naar ideeën
In het postindustriële tijdperk werken mensen met symbolen i.p.v. gefocust te zijn op productie
2. Van mechanische vaardigheden naar communicatieve vaardigheden
De informatierevolutie vraagt om communicatie vaardigheden: praten, schrijven, computer-
vaardigheden. Voor mensen die effectief kunnen communiceren ontstaan nieuwe mogelijkheden,
andere mensen hebben minder kansen
3. Van fabrieken naar waar dan ook
Eerste werd het werk vooral in de fabrieken verricht. Nu kunnen mensen vrijwel overal werken,
dankzij de computertechnologie. Het Nieuwe Werken (HNW) is in opkomst
Het Nieuwe Werken (HNW) = werken dat uitgaat van plaats- en tijdonafhankelijk werken
7.1.4 Economische sectoren
De genoemde revoluties weerspiegelen een verschuiving in het evenwicht tussen de drie
economische sectoren in een samenleving.
Primaire sector = het deel van de economie dat grondstoffen aan de natuurlijke omgeving onttrekt
, Denk hierbij aan landbouw en veeteelt, veefokkerij, etc. Deze sector is het grootst in lage-
inkomenslanden.
Secundaire sector = het deel van de economie dat grondstoffen in goederen omzet.
Denk hierbij aan het bewerken van metalen om er gereedschap van te maken. De globalisering van
industrie betekent dat in vrijwel alle landen een belangrijk deel van de beroepsbevolking werkzaam is
in deze sector. Nederland is echter meer een handelsland en is er dus een kleine secundaire sector.
Tertiaire sector = het deel van de economie waarin het niet zozeer om goederen gaat maar om
diensten
Deze sector groeit door de industrialisering en domineert de economieën van
middeninkomenslanden en postindustriële hoge-inkomenslanden. In Nederland is ongeveer
driekwart van de beroepsbevolking werkzaam in de dienstensector.
7.1.5 De wereldeconomie
Wereldeconomie = grensoverschrijdende economische activiteiten (vooral producten uit China, etc.)
Gevolgen naar aanleiding van de ontwikkeling van een mondiale economie:
1. Mondiale arbeidsverdeling, specialisaties in een bepaalde sector van de economie
Bv. de economie van de armste landen bestaat voor een groot deel uit landbouw
2. Steeds meer producten worden via meerdere landen doorgevoerd
Bv. koffiebonen uit Colombia, vervoerd door een Amerikaans schip, gemaakt van Japans staal
3. Nationale regeringen controleren niet langer de economische activiteiten die zich binnen hun
landsgrenzen afspelen (muntsoorten worden op financiële markten in o.a. Londen verhandeld)
4. Een klein aantal internationaal opererende bedrijven controleert een groot deel van de
economische activiteiten
5. De globalisering van de economie beïnvloedt het leven van werknemers in Nederland
Bv. banenverlies doordat vooral laaggeschoold werk overgenomen wordt door o.a. India en China
7.2 Economische stelsel: op weg naar een rechtvaardige wereld
De economie van een land bepaalt wie wat krijgt, waaruit we kunnen afleiden in hoeverre een
samenleving een rechtvaardige verdeling nastreeft. Het kapitalisme en socialisme zijn twee
algemene economische modellen.
7.2.1 Kapitalisme
Kapitalisme = een economisch systeem waarin de natuurlijke rijkdommen en de middelen om
goederen en diensten te produceren in particuliere handen zijn
Drie opvallende kenmerken van een ideale kapitalistische economie:
1. Privébezit of privé-eigendom
Hoe kapitalistischer een economie, hoe meer particulier bezit.
2. Persoonlijk winststreven
De samenleving streeft naar winst en welvaart. In de economie draait het om geld verdienen
3. Concurrentie en consumentengedrag