Week 1: wat is psychologie?
Psychosociale factoren: factoren die het gedrag beïnvloeden.
Psychosociaal is een term die verwijst naar situaties en relaties waarin psychische en
maatschappelijke aspecten een belangrijke rol spelen.
Waarom is dit vak belangrijk?
het is nodig om cliënten en hun gedragingen te begrijpen. Het individu staat centraal; wat bepaald
zijn gedrag (kenmerken en externe factoren), hoe beïnvloeden schulden het gedrag en hoe kunnen
gedrag en kenmerken van een individu zorgen dat iemand in een schuldensituatie komt.
Cognitieve driehoek: wetenschap van het gedrag en geestelijke interne processen van een individu.
Wat bepaalt gedrag? Verschillende perspectieven:
- Biologisch perspectief (genen, zenuwstelsel)
- Cognitief perspectief (mentale processen)
- Behavioristisch perspectief (omgeving)
- Psychodynamisch perspectief (onbewuste)
- Humanistisch perspectief (zelfbeeld en persoonlijke groei)
- Sociocultureel perspectief (situatie)
Conformisme: neiging om de mening en gedragingen van andere groepsleden over te nemen.
Ash-effect: invloed van de meerderheid van een groep op het individu.
Welke omstandigheden bevorderen het conformisme:
- Unanimiteit van de meerderheid.
- Omvang van de groep (2-3-15)
- Openbaarheid (kunnen anderen het horen)
- Ambiguïteit ( minder duidelijk, meer twijfel)
- Samenstelling van de meerderheid (status)
- Gevoel van eigenwaarde
- Macht van een bondgenoot
,Gehoorzaamheid:
Een groep kan het individu beïnvloeden.
Individuen (leiders/autoriteiten) kunnen ook groepen beïnvloeden en tot gehoorzaamheid
dwingen.
Mate van gehoorzaamheid wordt bepaald situationele variabelen (gezag autoriteit, ‘afstand’
tot het slachtoffer enz.) en dus niet door persoonskenmerken.
Conclusie: kwaad zit in iedereen. Er bestaan omstandigheden waarin de situationele en sociale druk
zo groot is dat mensen in staat zijn tot wandaden.
Hoe werkt leren en het veranderen van gedrag:
3 belangrijke inzichten in leren:
- Klassieke conditionering.
Stimulus – respons
- Opperante conditionering
Stimulus – respons
- Sociaal observerend leren
Cognitieve psychologie
Klassieke conditionering: een elementaire vorm van leren waarbij een stimulus een aangeboren
reflex oproept, wordt geassocieerd met een voorheen neutrale stimulus, die daardoor het vermogen
krijgt om dezelfde respons op te roepen.
Opperante conditionering: de consequentie van gedrag (straf of beloning) beïnvloedt de kans op
herhaling van dat gedrag.
Actief en vrijwillig in tegenstelling tot klassieke conditionering.
4 soorten consequenties:
Stimulus geven (positief)
- Positieve bekrachtiging
Beloning wordt toegediend.
Bijvoorbeeld: Diploma, hoog cijfer, geld.
- Positieve straf
Straf word toegediend
Bijvoorbeeld: kritiek, onvoldoende, schok
Stimulus wegnemen (negatief)
- Negatieve bekrachtiging
Straf wordt weggenomen/gestopt
Bijvoorbeeld: het piepen van de auto wanneer je geen gordel draagt.
- Negatieve straf
Positieve stimulus wordt verwijderd
Bijvoorbeeld: inhouden salaris vanwege een boete.
Hoe herken je de consequenties?
1. Kijk eerst of een stimulus wordt gegeven (positief) of weggenomen (negatief).
2. Indien positief (toedienen): is het een beloning (positieve bekrachtiging) of een straf
(positieve straf)
3. Indien negatief (wegnemen): wordt een straf weggenomen (negatieve bekrachtiging) of een
beloning/iets positiefs weggenomen (negatieve straf).
, Week 2: leren en geheugen
Wat is het geheugen?
Het geheugen van de mens is een informatieverwerkingssysteem dat constructief werkt om
informatie te coderen, op te slaan en weer terug te halen.
Het geheugen werkt het nauwkeurigst wanneer we:
- Informatie waaraan we aandacht hebben besteed (gesprek in een rumoerige kroeg)
- Informatie die ons interesseert
- Informatie die ons emotioneel raakt (prettige of nare gebeurtenissen)
- Informatie die bij eerdere ervaringen aansluit (voorkennis)
- Informatie die we repeteren (gedicht, tekst bij een toneelstuk)
Informatieverwerkings- model:
Cognitieve benadering van het geheugen
- Ons geheugen werkt niet zoals een videocamera of computer
- Grootste verschil: info komt binnen via zintuigen. Zintuigen interpreteren
Hoe maken we herinneringen?
Het is een cognitief systeem dat uit drie stadia bestaat:
- Coderen
- Opslaan
- Informatie terughalen
Hoe vormen we herinneringen?
Elk van de drie geheugenstadia codeert en legt herinneringen op een andere manier vast
Samen zorgen ze ervoor dat een sensorische ervaring wordt omgezet in een blijvend geheugenspoor
met een bepaald patroon of betekenis
Verschillende geheugens:
Sensorisch geheugen: beelden, geluiden, geuren, texturen, smaken en andere sensorische indrukken
blijven er maar kort hangen.
Werkgeheugen: haalt info uit het sensorische geheugen en verbindt die met items uit het lange
termijngeheugen, info wordt slechts tijdelijk vastgehouden.
Lange termijngeheugen: verwerkt de info uit het werkgeheugen en bewaart die zodat deze later
terug gehaald kan worden. Bevat onze kennis over de wereld.
Werkgeheugen:
- Capaciteit is zeer gering (minst van alle drie geheugensystemen)
- Houdt info gemiddeld 20/30 seconden vast.
- Beperkingen zijn te omzeilen d.m.v:
o Chunking
o Repeteren (herhalen)
o Elaboratie = actief verbanden leggen met bestaande opgeslagen kennis (uit
langetermijngeheugen)
Lange termijn geheugen:
Bestaat uit 3 onderdelen:
o Semantisch -> kennis -> ‘weten wat’
o Episodisch -> ervaringen -> ‘weten wat’
o Motorische vaardigheden -> ‘weten hoe’