Verplichte arresten Bestuursrecht 2
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
,Bestuursrecht 2 Arresten 2016/2017
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave ..................................................................................................................................... 2
Week 1 ..................................................................................................................................................... 3
Week 2 ..................................................................................................................................................... 3
Week 3 ..................................................................................................................................................... 4
Week 4 ..................................................................................................................................................... 4
Week 5 ..................................................................................................................................................... 5
Week 6 ..................................................................................................................................................... 6
Week 7 ..................................................................................................................................................... 7
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
,Bestuursrecht 2 Arresten 2016/2017
Naam Kruseman
Rechtsvraag Wat hield de gemene rechtsleer in?
Antwoord Zie essentie
Samenvatting De gemeente had een financiële tegenprestatie bedongen van
Kruseman in ruil voor de wijziging van een bestemmingsplan ten
gunste van zijn bedrijfspand. De vraag is of dit was toegestaan onder
de gemene rechtsleer.
Essentie/conclusie Dergelijke bedingen waren toegestaan, ‘tenzij tegen het bedingen of
het in ontvangst nemen van die prestatie enig wettelijk beletsel
bestaat, dan wel de overheid aldus handelende misbruik maakte van
de bevoegdheden of de feitelijke machtspositie welke die
medewerking voor haar wederpartij noodzakelijk deden zijn en haar
tot die medewerking in staat stelden.’ Privaatrechtelijk
overheidshandelen werd onder de gemene rechtsleer dus louter
getoetst aan privaatrechtelijke normen en (publiekrechtelijke)
wettelijke voorschriften.
Context/Illustratie bij Gemene rechtsleer
Naam Kwantum/Venlo
Rechtsvraag Is de rechter bevoegd is op grond van art. 3:4 lid 2 Awb te toetsen
welke uitkomsten van bestuurlijke belangenafweging wel en welke
niet evenredig zijn (integrale toets)?
Antwoord Nee
Samenvatting Appellante sub 2 (Kwantum) heeft vrijstelling verleend gekregen van
de gebruiksvoorschriften in het bestemmingsplan (door B&W,
appellanten sub 1), waartegen concurrenten Praxis en Maxis in
bezwaar gaan. Dit bezwaar wordt ongegrond verklaard, doch het
beroep bij de rechtbank gegrond. Het besluit wordt vernietigd wegens
het feit dan de nadelige gevolgen van het besluit voor Praxis en Maxis
onevenredig zouden zijn ten opzichte van de met het besluit te dienen
doelen (art. 3:4 lid 2 Awb).
Essentie/conclusie Het voorschrift van art. 3:4 lid 2 is tot het bestuur gericht en mag
daarom niet leiden tot een intensivering van de rechterlijke toetsing.
De rechtbank had niet moeten toetsten welke resultaten wel en welke
niet evenredig waren, maar de rechtbank had zich moeten beperken
tot de 'vraag of er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van
de afweging van de betrokken belangen dat moet worden geoordeeld
dat appellanten sub 1 niet in redelijkheid tot verlening van de
gevraagde vrijstelling hebben kunnen komen'. Dit is de consequentie
van de formulering in de dubbele ontkenning ('niet onevenredig') door
de wetgever. De toetsingnorm van willekeur moet als volgt de rechter
in acht worden genomen: de rechter grijpt pas in in een besluit indien
het verantwoordelijke bestuursorgaan, de betrokken belangen in acht
genomen, in redelijkheid niet tot de gewraakte
bevoegdheidsuitoefening heeft kunnen komen. Anders geformuleerd
mogen de belangen van anderen niet onevenredig worden geschaad
en mag er geen te grote onevenredigheid bestaan tussen het gediende
en het geschonden belang. Is hiervan wel sprake, dan is sprake van
willekeur en strijd met het verbod van willekeur.
Context/Illustratie bij Terughoudende, marginale toets van de rechter aan het
evenredigheidsbeginsel (Art. 3:4 lid 2 Awb): 'heeft het bestuursorgaan
in redelijkheid tot zijn (uikomst van de) belangenafweging kunnen
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
, Bestuursrecht 2 Arresten 2016/2017
komen?'
Naam Doetinchemse woonruimtevordering
Rechtsvraag Hoe toetst een rechter een discretionaire bevoegdheid van een
bestuursorgaan?
Antwoord Marginaal
Samenvatting De burgemeester vordert een woning wegens woonruimtegebrek en
de bewoners stelen een vordering in wegens onrechtmatige daad.
Essentie/conclusie In geval van beleidsvrijheid is er voor de rechter eerst reden tot
ingrijpen indien hij vaststelt dat het verantwoordelijke
bestuursorgaan, gelet op de bij afweging in aanmerking komende
belangen in redelijkheid niet tot de gewraakte
bevoegdheidsuitoefening heeft kunnen komen, en dus afweging van
de belangen geacht moet worden niet te hebben plaatsgehad. ‘Als
moet worden aangenomen dat de vorderende autoriteit bij afweging
van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot een
vordering heeft kunnen komen, en dus een afweging van die belangen
geacht moet worden niet te hebben plaatsgehad, is sprake van
willekeur.
Context/Illustratie bij Marginale rechterlijke toetsing bij discretionaire bevoegdheid en
raakvlak tussen specialiteitsbeginsel (het wel of niet meewegen van
belangen: procedurele eis) en het evenredigheidsbeginsel
(onevenredige uitkomst van een belangenafweging, hetgeen kan
leiden tot de conclusie dat een belang geacht moet worden niet te zijn
meegewogen: een inhoudelijke eis).
Naam Van Vlodrop
Rechtsvraag Is een besluit op een verzoek om nadeelcompensatie appellabel?
Antwoord Soms
Samenvatting Van Vlodrop heeft een bedrijf dat fotochemisch afval verwerkt.
Wegens beleidswijzigingen moet het bedrijf investeringen doen.
Daarna wordt het beleid meteen weer gewijzigd en het bedrijf lijdt
schade, waarna een verzoek om nadeelcompensatie volgt. Hij vecht
het afwijzende besluit bij de bestuursrechter aan.
Essentie/conclusie Compensatiebesluiten zijn besluiten in de zin van art. 1:3 Awb.
Betreft het een verzoek om compensatie voor schade toegebracht door
een appellabel besluit, dan is ook het compensatiebesluit appellabel.
Is dit niet het geval, dan is het compensatiebesluit wel een besluit in
de zin van de Awb, maar geen appellabel besluit. ‘De bevoegdheid tot
het nemen van een beslissing op een verzoek om schadevergoeding,
voorzover het schade betreft die is ontstaan door de rechtmatige
uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid,
berust op het - mede aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb ten
grondslag liggende - rechts-beginsel van 'égalité devant les charges
publiques' (gelijkheid voor openbare lasten). Op grond van dit
beginsel zijn bestuursorganen gehouden tot compensatie van
onevenredige - buiten het normale maatschappelijke risico vallende
en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - schade
die is ontstaan in een door de uitoefening van een aan het
publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding.’
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen