Inleiding Criminologie
1. Criminologie: een terreinverkenning
1.1. De opdracht van de criminologie
Bij de gedachte aan ernstige misdrijven identificeren de meeste mensen zich automatisch met het
slachtoffer, vooral als men bepaalde sociale kenmerken gemeen heeft met het slachtoffer. Als verhalen
over waar gebeurde misdrijven niet te dichtbij komen vormen ze geliefde lectuur. De aantrekkelijkheid
van criminele horrorverhalen berust op het aangename gevoel dat men er zelf beter aan toe is dan het
slachtoffer: dit heet een neerwaartse vergelijking.
De door criminaliteit opgewekte emoties kunnen ook een positieve, sociaal opbouwende uitwerking
hebben. Socioloog Durkheim zei dat de leden van een gemeenschap zichzelf en elkaar in hun
normbesef bevestigen door hun gevoelens van morele verontwaardiging met elkaar te delen. Door de
dader te veroordelen, bevestigen de groepsleden bovendien hun collectieve besef van morele
superioriteit.
De informele reacties op misdrijven hebben door de erbij loskomende sterke emoties soms de neiging
te ontsporen. In beschaafde landen staat de overheid daarom terughoudend tegenover burgerwachten
en burgers die zelf straffen gaan uitdelen aan vermeende daders (het ‘plegen van eigenrichting’).
Ontsporingen ontstaan des te sneller indien er binnen een bevolkingsgroep diepe frustraties leven en/of
de groep zich in zijn voortbestaan bedreigd voelt. De binnen de groep levende agressie wordt dan
geprojecteerd op de pleger van het misdrijf die als gevaarlijke outsider de schuld krijgt van alle
bestaande problemen. In veel primitieve culturen werden interne sociale spanningen opgeheven door
de rituele doding van een zogenaamde zondebok (het zondebokmechanisme). Voorbeeld: lynchen van
zwarten in Verenigde Staten, aangewakkerd door grote werkeloosheid. Etnische minderheden en de
politie zijn ook vaak zondebokken.
Misdaadverhalen kunnen ook leiden tot een heimelijke identificatie met de dader(s). Succesvolle
criminelen bevredigen hun driften en hartstochten zonder zich te bekommeren om de consequenties
voor zichzelf en anderen. De fascinatie die voor veel mensen uitgaat van georganiseerde criminaliteit,
berust deels op (ten dele onbewuste) heldenverering. Denk aan Holleeder, Pablo Escobar en 50 Cent.
Bij een deel van de toeschouwers die zich met daders identificeren, roepen zulke gevoelens vervolgens
weer schuldgevoelens op. Dit schuldgevoel leidt op zijn beurt tot een roep om strenge bestraffing van
de dader. Door te eisen dat de dader streng wordt gestraft, corrigeert men de eigen, deels onbewuste,
criminele impulsen.
De identificatie met de daders kan ook gevoelens van mededogen oproepen. Dit geldt in het bijzonder
voor daders die zijn gearresteerd, veroordeeld en hun straf uitzitten. Bij het beeld van de ‘tuchtende’,
dat wil zeggen de onder zijn straf gebukt gaande gedetineerde, verdwijnt dat van het onschuldige
slachtoffer. Dit geldt nog meer voor mensen die tot levenslang of de doodstraf zijn veroordeeld. De
christelijke kerken, met hun nadruk op de plicht tot vergeving, spelen een belangrijke rol in
particuliere initiatieven om het lot van gedetineerden te verbeteren. De oorsprong van het
reclasseringswerk ligt in Nederland bij de kerken.
Bij de ervaring van medelijden met daders worden soms
eveneens persoonlijke frustraties op de daders
geprojecteerd. Toeschouwers die zichzelf tekortgedaan
voelen door de maatschappij, zien de door de politie
gearresteerde daders soms als slachtoffers van
onrechtvaardige maatschappelijke omstandigheden. De
dader staat hierbij symbool voor de underdog. Politie en
justitie worden dan gezien als vertegenwoordigers van de
onderdrukkende, totalitaire staat. Ook deze emotionele
kettingreactie kan vervolgens leiden tot gevoelens van
saamhorigheid en uitingen van collectief geweld.
1. Criminologie: een terreinverkenning
1.1. De opdracht van de criminologie
Bij de gedachte aan ernstige misdrijven identificeren de meeste mensen zich automatisch met het
slachtoffer, vooral als men bepaalde sociale kenmerken gemeen heeft met het slachtoffer. Als verhalen
over waar gebeurde misdrijven niet te dichtbij komen vormen ze geliefde lectuur. De aantrekkelijkheid
van criminele horrorverhalen berust op het aangename gevoel dat men er zelf beter aan toe is dan het
slachtoffer: dit heet een neerwaartse vergelijking.
De door criminaliteit opgewekte emoties kunnen ook een positieve, sociaal opbouwende uitwerking
hebben. Socioloog Durkheim zei dat de leden van een gemeenschap zichzelf en elkaar in hun
normbesef bevestigen door hun gevoelens van morele verontwaardiging met elkaar te delen. Door de
dader te veroordelen, bevestigen de groepsleden bovendien hun collectieve besef van morele
superioriteit.
De informele reacties op misdrijven hebben door de erbij loskomende sterke emoties soms de neiging
te ontsporen. In beschaafde landen staat de overheid daarom terughoudend tegenover burgerwachten
en burgers die zelf straffen gaan uitdelen aan vermeende daders (het ‘plegen van eigenrichting’).
Ontsporingen ontstaan des te sneller indien er binnen een bevolkingsgroep diepe frustraties leven en/of
de groep zich in zijn voortbestaan bedreigd voelt. De binnen de groep levende agressie wordt dan
geprojecteerd op de pleger van het misdrijf die als gevaarlijke outsider de schuld krijgt van alle
bestaande problemen. In veel primitieve culturen werden interne sociale spanningen opgeheven door
de rituele doding van een zogenaamde zondebok (het zondebokmechanisme). Voorbeeld: lynchen van
zwarten in Verenigde Staten, aangewakkerd door grote werkeloosheid. Etnische minderheden en de
politie zijn ook vaak zondebokken.
Misdaadverhalen kunnen ook leiden tot een heimelijke identificatie met de dader(s). Succesvolle
criminelen bevredigen hun driften en hartstochten zonder zich te bekommeren om de consequenties
voor zichzelf en anderen. De fascinatie die voor veel mensen uitgaat van georganiseerde criminaliteit,
berust deels op (ten dele onbewuste) heldenverering. Denk aan Holleeder, Pablo Escobar en 50 Cent.
Bij een deel van de toeschouwers die zich met daders identificeren, roepen zulke gevoelens vervolgens
weer schuldgevoelens op. Dit schuldgevoel leidt op zijn beurt tot een roep om strenge bestraffing van
de dader. Door te eisen dat de dader streng wordt gestraft, corrigeert men de eigen, deels onbewuste,
criminele impulsen.
De identificatie met de daders kan ook gevoelens van mededogen oproepen. Dit geldt in het bijzonder
voor daders die zijn gearresteerd, veroordeeld en hun straf uitzitten. Bij het beeld van de ‘tuchtende’,
dat wil zeggen de onder zijn straf gebukt gaande gedetineerde, verdwijnt dat van het onschuldige
slachtoffer. Dit geldt nog meer voor mensen die tot levenslang of de doodstraf zijn veroordeeld. De
christelijke kerken, met hun nadruk op de plicht tot vergeving, spelen een belangrijke rol in
particuliere initiatieven om het lot van gedetineerden te verbeteren. De oorsprong van het
reclasseringswerk ligt in Nederland bij de kerken.
Bij de ervaring van medelijden met daders worden soms
eveneens persoonlijke frustraties op de daders
geprojecteerd. Toeschouwers die zichzelf tekortgedaan
voelen door de maatschappij, zien de door de politie
gearresteerde daders soms als slachtoffers van
onrechtvaardige maatschappelijke omstandigheden. De
dader staat hierbij symbool voor de underdog. Politie en
justitie worden dan gezien als vertegenwoordigers van de
onderdrukkende, totalitaire staat. Ook deze emotionele
kettingreactie kan vervolgens leiden tot gevoelens van
saamhorigheid en uitingen van collectief geweld.