Deel 1. Casus: hondenbelasting
Je werkt als senior jurist bij de gemeente Rotterdam op de afdeling Juridische Zaken. Op deze afdeling
houd je je onder meer bezig met het opstellen van beleid en wetgeving binnen de gemeente en
begeleid je stagiaires. In de plaatselijke krant lees je dat er veel klachten binnen zijn gekomen van
burgers die het onterecht vinden dat zij in Rotterdam wel hondenbelasting moeten betalen en dat
inwoners van de gemeente Ridderkerk geen hondenbelasting hoeven te betalen. En dat terwijl
Ridderkerk nog geen vijftien kilometer van Rotterdam ligt! De burgers hebben hun klachten hierover
op papier gezet en handtekeningen verzameld om de brief kracht bij te zetten. De klachtbrief hebben
zij vervolgens aan de wethouder aangeboden.
De wethouder heeft in een bijeenkomst deze klachten besproken en uiteindelijk wil hij bezien of de
Verordening Hondenbelasting 2015 niet afgeschaft kan worden. De wethouder vraagt je om na te gaan
of deze verordening kan worden afgeschaft. Hij wil hier over drie weken een intern memo van
ontvangen die zowel de juridische als de sociale aspecten in kaart brengt. En graag in heldere taal,
want hij is geen jurist. Jij vindt dit wel een mooie opdracht voor een van je stagiaires.
Je krijgt het stuk na twee weken op je bureau. Nu is het tijd feedback te geven op het stuk, zowel op
de inhoud als op de taal.
Deel 2. Casusvragen Sociale Wetenschappen
Deel 3. Casusvragen Staatsrecht
1. Zowel de gemeente Ridderkerk als de gemeente Rotterdam hebben hun eigen
hondenverordening. Gemeenten en provincies zijn bevoegd hun eigen huishouding te regelen.
Hoe noemen we deze bevoegdheid?
a) decentralisatie
b) medebewind
c) belastingheffing
d) wetgeving in formele zin
2. Het gezag van de staat ligt in Nederland bij verschillende bestuursorganen op verschillende
niveaus. Dit komt omdat:
a) Alleen de decentrale organen samenwerken om de eenheid van de staat te bewaken
b) Uitsluitend de dagelijkse besturen van provincies en gemeenten verantwoording moeten
afleggen
c) Nederland een gedecentraliseerde eenheidsstaat is
d) Geen van deze antwoorden is juist
3. Welk van onderstaande organen oefent op decentraal niveau gezag uit?
a) Burgemeester
b) Staten Generaal
c) Regering
d) Kabinet
4. Aan wie komt het recht van initiatief toe?
a) De minister van Binnenlandse zaken;
b) De regering en Eerste kamer;
c) De koningin;