1 Welke van de volgende bewering is juist?
A. Interactieve marketing is gelijktijdig opgekomen met online marketing
B. Interactieve marketing betekent dat de klant bepaalt wat hij wil
C. Interactieve marketing is een synoniem van E-marketing
D. Interactieve marketing bestond lang voor de komst van internet
2 traditioneel werd marketing voornamelijk gebruikt om je te onderscheiden van de concurrentie.
Dit is met de komst van informatietechnologie en het internet veranderd.
Welke beschrijving geeft deze verandering het beste weer?
A. Het is steeds belangrijker om je doelgroepen te segmenteren en je communicatie te richten
op het bouwen en onderhoud van relaties.
B. Door het internet is het onduidelijk geworden wie de concurrentie van een organisatie is en
internetmarketing geeft hiervoor de oplossing.
C. Er is steeds meer aandacht voor het eigen product en om dit product met behulp van
internet te onderscheiden van de concurrent.
D. Vergelijkingswebsites irrelevant gemaakt; daarom is er steeds meer aandacht voor sociale
media.
3 welke bewering is juist? Met behulp van CHAID analyse?
A. Kan bepaald worden in welk distributiekanaal het beste geopereerd kan worden.
B. Kan een organisatie gemakkelijk de stap maken van productieconcept naar productconcept
C. Kunnen klantwaarde en verwachte respons worden berekend
D. Kunnen klantwaarde en productwaarde worden berekend.
4 welke vier functies van internet zijn er?
A. Informatie, communicatie, faciliterende en transactie
B. Informatie, communicatie, faciliterende en verdien
C. Communicatie, faciliterende, transactie en veiling
D. Informatie, transactie, veiling en verdien
5 de twee volgende stellingen hebben betrekking op de verschillen in strategie tussen een
onderneming waarbij internet van ondergeschikt belang is ( de fysieke locatie staat centraal ) en
een onderneming waarbij internet juist centraal staat ( de webshop)
Geef van de volgende stellingen aan of deze juist of onjuist zijn.
Stelling 1: bij een onderneming waarbij de fysieke locatie centraal staat, is de lokale bekendheid en
de locatie het belangrijkst; bij de onderneming waarbij internet centraal staat is continue
communicatie met de doelgroep en een top-of-mind positie het belangrijkst.
Stelling 2: bij een onderneming waarbij internet centraal staat (de webshop) wordt de winstmarge
bepaald door de transparante kostenstructuur van plaats distributie en prijs.
A. Stelling 1 en stelling 2 zijn juist
B. Stelling 1 is juist, stelling 2 onjuist
C. Stelling 1 onjuist, stelling 2 juist
D. Stelling 1 en stelling 2 onjuist
A. Interactieve marketing is gelijktijdig opgekomen met online marketing
B. Interactieve marketing betekent dat de klant bepaalt wat hij wil
C. Interactieve marketing is een synoniem van E-marketing
D. Interactieve marketing bestond lang voor de komst van internet
2 traditioneel werd marketing voornamelijk gebruikt om je te onderscheiden van de concurrentie.
Dit is met de komst van informatietechnologie en het internet veranderd.
Welke beschrijving geeft deze verandering het beste weer?
A. Het is steeds belangrijker om je doelgroepen te segmenteren en je communicatie te richten
op het bouwen en onderhoud van relaties.
B. Door het internet is het onduidelijk geworden wie de concurrentie van een organisatie is en
internetmarketing geeft hiervoor de oplossing.
C. Er is steeds meer aandacht voor het eigen product en om dit product met behulp van
internet te onderscheiden van de concurrent.
D. Vergelijkingswebsites irrelevant gemaakt; daarom is er steeds meer aandacht voor sociale
media.
3 welke bewering is juist? Met behulp van CHAID analyse?
A. Kan bepaald worden in welk distributiekanaal het beste geopereerd kan worden.
B. Kan een organisatie gemakkelijk de stap maken van productieconcept naar productconcept
C. Kunnen klantwaarde en verwachte respons worden berekend
D. Kunnen klantwaarde en productwaarde worden berekend.
4 welke vier functies van internet zijn er?
A. Informatie, communicatie, faciliterende en transactie
B. Informatie, communicatie, faciliterende en verdien
C. Communicatie, faciliterende, transactie en veiling
D. Informatie, transactie, veiling en verdien
5 de twee volgende stellingen hebben betrekking op de verschillen in strategie tussen een
onderneming waarbij internet van ondergeschikt belang is ( de fysieke locatie staat centraal ) en
een onderneming waarbij internet juist centraal staat ( de webshop)
Geef van de volgende stellingen aan of deze juist of onjuist zijn.
Stelling 1: bij een onderneming waarbij de fysieke locatie centraal staat, is de lokale bekendheid en
de locatie het belangrijkst; bij de onderneming waarbij internet centraal staat is continue
communicatie met de doelgroep en een top-of-mind positie het belangrijkst.
Stelling 2: bij een onderneming waarbij internet centraal staat (de webshop) wordt de winstmarge
bepaald door de transparante kostenstructuur van plaats distributie en prijs.
A. Stelling 1 en stelling 2 zijn juist
B. Stelling 1 is juist, stelling 2 onjuist
C. Stelling 1 onjuist, stelling 2 juist
D. Stelling 1 en stelling 2 onjuist