Bestaat uit twee delen:
- Academisch juridisch denken
- -Wetenschappelijk denken
Vak richt zich op:
Wetgever en rechtelijke instanties moeten kritisch en analytisch beschouwd worden.
Wanneer is een regel een bindende regel en wanneer kun je het afdwingen?
Onderscheidt: - gewoonte
- gebondenheid
Voorbeelden:
Geloften bij bruiloft
Beloften aan vrienden
Recht
-Natuurrecht: dat wat god gegeven heeft (religie) en wordt dan gewoonte dat iedereen accepteert
(natuur gegeven). Geldt als en zover het in overeenstemming is met de beginselen.
Rechtszekerheid is de focus. Constant in tegenhang met rechtspositivisme.
-Rechtspositivisme: Recht wordt een systeem van regels. Naar de wet kijken.
Wanneer moet men aan de regels houden? Kijken naar de afkomst van de regel.
Wet werd slecht gebruikt (zie Hitler), dus rechtspositivisme van de baan.
-Interactionisme: de rechtsregels blijken wel uit de praktijk (praktijk stemt zich er op af).
Mensen handelen zoals van hun mag worden verwacht, het recht hangt de consequenties er wel aan
Volgens de opvattingen van redelijkheid en billijkheid.
-Contextualisme: Lijkt sterk op interactionisme. Recht is gebaseerd op de waarde die in een bepaalde
cultuur leeft. Recht voegt een aantal waarden aan die cultuur toe zoals rechtszekerheid. Ruim kijken.
-Retorische activiteit: Recht is een voortgaand debat over rechtvaardigheid. We blijven het debat
erover aangaan en het is onze rol om het debat op een juridische manier te verwoorden.
Recht ontstaat steeds opnieuw als mensen met elkaar handelen. Recht is een handeling (activiteit).
Interactionisme, contextualisme en retorische activiteit
Het verschil is dat bij de bovenste twee opvattingen wet wordt opgelegd van bovenaf. Terwijl
onderste opvattingen zeggen dat mensen er zelf deel van uit maken.
Muurschutters (Berlijnse muur)
Opdracht: schieten als mensen over de muur willen gaan.
(natuur)Beginsel: “gij zult niet doden” .
Bevel: schieten, op grond van een geldende wet.
Natuurbeginsel in strijd met rechtsregel
Natuurrecht versus Rechtspositivisme.
Interactionisme: niet naar wet of natuurbeginsel kijken maar kijken naar verzoening.
Belangenafweging. Hiervoor heb je veel meer gegevens nodig.
bijvoorbeeld: wat zijn de omstandigheden? Er had op de benen geschoten kunnen worden
Voor interactionisme, contextualisme en interactieve activiteit wordt gekeken naar externe factoren.