Hoofdstuk 6 – De therapiefasen van Metaphon
1. Fonologische therapie moet systematisch gepland worden en gebaseerd zijn op een analyse van
de spraak van het kind.
2. De therapeut moet zich primair bezighouden met het uitbreiden van klankcontrasten in
betekenisvolle communicatieve situaties.
3. Therapie moet gericht zijn op het veranderen van klankpatronen in plaats van op het aanleren
van afzonderlijke klanken.
Fase 1: De ontwikkeling van het fonologisch bewustzijn
Doel: wekken van interesse voor klanken en klanksystemen.
Belangrijkste fase van de therapie. Bij normale kinderen is deze interesse aanwezig, bij kinderen met
een fonologische stoornis niet. Hier moet dan ook veel tijd aan besteed worden. Interesse en
motivatie zijn enorm van belang. Als de interesse gewekt is onderzoeken de logopedist en het kind
samen de aard van de doelklank of het klanksysteem. Binnen fase 1 zijn er verschillende
stappen/niveaus. Er wordt wel onderscheid gemaakt tussen stappen bij substitutieprocessen en
syllabestructuurprocessen.
Stappen substitutieprocessen fase 1
1. Begripsniveau: kind moet bepaalde termen begrijpen. Dit spelenderwijs ontdekken en aftasten.
Het gaat dan om termen als ‘lang’ en ‘kort’ omdat deze voorbereiding zijn op volgende stappen.
2. Klank/geluidsniveau: transfer van begripseigenschappen naar klanken. Geluidspelletjes met
geluiden als brullende leeuw. Kind wel begrip bij brengen dat elke klank ingedeeld kan worden
bij bijv. voor/achter.
3. Foneemniveau: activiteiten waarin spraakklanken gemanipuleerd worden. Logo en kind
doorlopen allerlei spraakklanken die varieren op diverse dimensies (lang/kort). Wel met
bestaande klanken. Kan doormiddel van plaatjes uit Metaphon.
4. Woordniveau: minimale paren worden geïntroduceerd. Woordparen die een foneem van elkaar
verschillen. Aan het kind wordt gevraagd of het woord een lang/kort geluidje heeft. Kind is
luisteraar maar wordt wel uitgenodigd deel te nemen aan de discussie. Er wordt in het begin
maar een minimaal paar gebruikt.
Stappen syllabestructuurrocessen fase 1
1. Begripsniveau: begrippen introduceren die het in staat stellen klankeigenschappen te
onderzoeken. Doel is om gezamenlijk begrip te ontwikkelen voor woorden als met/zonder. Kind
is luisteraar en produceert.
2. Syllabeniveau: syllaben introduceren die het doelcontrast weergeven. Mag met fonemen of
nonsenssyllaben (liever niet). Contrast aanleren (CV, CCV). Omdat het moeilijk kan zijn is het
kind alleen maar luisteraar. Structuren alleen maar beoordelen.
3. Woordniveau: hetzelfde als bij substitutie. Het kind is alleen luisteraar. Logopedist spreekt
woorden die een minimaal paar vormen uit en vraagt het kind deze te beoordelen.
De sociale context van fase 1
Door het beurtgedrag staat het kind niet voortdurend onder druk als degene die wordt beoordeeld
en ten tweede krijgt het kind op verschillende manieren feedback omdat het zowel de rol van
luisteraar als die van de spreker op zich neemt. De feedback versterkt en vergroot het begrip van het
kind over het manipuleren en combineren van klanken.