2. De cel als fabriek
2.1 Cel opbouw
- Alle organismen zijn onder te verdelen in 5 groepen.
- Planten, schimmels, dieren en protisten zijn eukaryoten
- Moneren (bacteriën) zijn prokaryoten.
- Cytoplasma = celvloeistof met organellen erin
- Organel = een gespecialiseerd compartiment begrenst door een membraan.
2.2 Plasmamembraan
- Elke cel heeft een plasmamembraan met als functie:
1. Celorganellen bij elkaar houden
2. Vorm en stevigheid geven
3. Import en export van moleculen
4. Cel beweging
5. Cel bescherming
6. Handhaven metabolisme.
- Bestaat uit fosfolipiden naast elkaar met een polaire kop en 2 apolaire staarten.
- De fosfolipiden vormen een bi laag waarbij de apolaire staarten naar elkaar toe
wijzen en de polaire koppen aan de buitenkanten van het membraan zitten.
- Bij de koppen ontstaan H-bruggen en tussen de staarten is hydrofobe interactie.
- Het celmembraan is selectief permeabel dit houdt in dat het membraan gedeeltelijk
doorlaatbaar is. Dit gebeurt op basis van niet covalente interacties
- Apolaire moleculen of kleine polaire moleculen kunnen door het membraan.
- Grote polaire moleculen of dingen die geladen zijn kunnen niet door het membraan.
- Eiwitten drijven in het membraan en dienen voor transport van polaire stoffen;
receptoren en enzymen
2.3 Prokaryoten cel
- Heeft geen celkern
- Het circulair DNA zit los in de cel
- Eiwitten worden snel geproduceerd, dus de bacterie kan snel aanpassen.
- Heeft een celwand om celmembraan heen.
2.4 Eukaryoten cel
2.4.1 De celkern
- Dubbele kernmembraan om de celkern heen met cel poriën .
- Hier zit het DNA opgeslagen.
- DNA gaat zelf de kern niet uit, maar wordt gekopieerd.
- Het gekopieerde DNA, mRNA, gaat via de cel poriën de kern uit.
- In het cytoplasma wordt het mRNA omgezet naar eiwit.
2.1 Cel opbouw
- Alle organismen zijn onder te verdelen in 5 groepen.
- Planten, schimmels, dieren en protisten zijn eukaryoten
- Moneren (bacteriën) zijn prokaryoten.
- Cytoplasma = celvloeistof met organellen erin
- Organel = een gespecialiseerd compartiment begrenst door een membraan.
2.2 Plasmamembraan
- Elke cel heeft een plasmamembraan met als functie:
1. Celorganellen bij elkaar houden
2. Vorm en stevigheid geven
3. Import en export van moleculen
4. Cel beweging
5. Cel bescherming
6. Handhaven metabolisme.
- Bestaat uit fosfolipiden naast elkaar met een polaire kop en 2 apolaire staarten.
- De fosfolipiden vormen een bi laag waarbij de apolaire staarten naar elkaar toe
wijzen en de polaire koppen aan de buitenkanten van het membraan zitten.
- Bij de koppen ontstaan H-bruggen en tussen de staarten is hydrofobe interactie.
- Het celmembraan is selectief permeabel dit houdt in dat het membraan gedeeltelijk
doorlaatbaar is. Dit gebeurt op basis van niet covalente interacties
- Apolaire moleculen of kleine polaire moleculen kunnen door het membraan.
- Grote polaire moleculen of dingen die geladen zijn kunnen niet door het membraan.
- Eiwitten drijven in het membraan en dienen voor transport van polaire stoffen;
receptoren en enzymen
2.3 Prokaryoten cel
- Heeft geen celkern
- Het circulair DNA zit los in de cel
- Eiwitten worden snel geproduceerd, dus de bacterie kan snel aanpassen.
- Heeft een celwand om celmembraan heen.
2.4 Eukaryoten cel
2.4.1 De celkern
- Dubbele kernmembraan om de celkern heen met cel poriën .
- Hier zit het DNA opgeslagen.
- DNA gaat zelf de kern niet uit, maar wordt gekopieerd.
- Het gekopieerde DNA, mRNA, gaat via de cel poriën de kern uit.
- In het cytoplasma wordt het mRNA omgezet naar eiwit.