2.4.8 Plantencel
- Heeft een celwand, vacuole en chloroplasten
- Vacuole kan leeg zijn of met water
- Bladgroenkorrels voor fotosynthese
- Heeft geen lysosomen
Chloroplast
- Bevat ribosomen & circulair DNA.
- Fotosynthese vindt hier plaats
- Niet in een dierlijke cel te vinden.
- = bladgroenkorrel
2.5 Virussen
- Kleiner dan bacterie.
Genetisch materiaal, DNA of RNA, omgeven door eiwitmantel (capside).
- Envelopvirussen zijn ook nog omgeven door een membraan.
- Heeft geen organellen, kan niet zelfstadig voortplanten, kan niet bewegen en eet
niet.
- Heeft een gastheercel nodig voor reproductie.
- Een virus leeft dus niet en is alleen een eiwitpakketje met genetisch materiaal.
3. Membranen en transport
3.1 Fosfolipiden
- Fosfolipiden worden gemaakt in het SER
- Laterale bewegingen (= horizontaal) komen vaak voor en kosten weinig energie.
- Transversale bewegingen (= verticaal of flip/flop) gaan lastiger en komen minder
vaak voor. Gaat moeilijker
- Wanneer een membraan een te vaste structuur heeft zorgen vetzuren met kortere
ketens en dubbele bindingen voor meer vloeibaarheid.
3.1.1 Vetten
Vast vet
- Hoog smeltpunt
- Lange vetzuren
- Verzadigde vetzuren, geen dubbele bindingen
- Minder contact, minder van der waalskrachten en hydrofobe interacties
Vloeibaar vet
- Laag smetpunt
- Korte vetzuren
- Onverzadigde vetzuren, met dubbele bindingen
- Hoe meer onverzadigdheden lager smeltpunt
- Heeft een celwand, vacuole en chloroplasten
- Vacuole kan leeg zijn of met water
- Bladgroenkorrels voor fotosynthese
- Heeft geen lysosomen
Chloroplast
- Bevat ribosomen & circulair DNA.
- Fotosynthese vindt hier plaats
- Niet in een dierlijke cel te vinden.
- = bladgroenkorrel
2.5 Virussen
- Kleiner dan bacterie.
Genetisch materiaal, DNA of RNA, omgeven door eiwitmantel (capside).
- Envelopvirussen zijn ook nog omgeven door een membraan.
- Heeft geen organellen, kan niet zelfstadig voortplanten, kan niet bewegen en eet
niet.
- Heeft een gastheercel nodig voor reproductie.
- Een virus leeft dus niet en is alleen een eiwitpakketje met genetisch materiaal.
3. Membranen en transport
3.1 Fosfolipiden
- Fosfolipiden worden gemaakt in het SER
- Laterale bewegingen (= horizontaal) komen vaak voor en kosten weinig energie.
- Transversale bewegingen (= verticaal of flip/flop) gaan lastiger en komen minder
vaak voor. Gaat moeilijker
- Wanneer een membraan een te vaste structuur heeft zorgen vetzuren met kortere
ketens en dubbele bindingen voor meer vloeibaarheid.
3.1.1 Vetten
Vast vet
- Hoog smeltpunt
- Lange vetzuren
- Verzadigde vetzuren, geen dubbele bindingen
- Minder contact, minder van der waalskrachten en hydrofobe interacties
Vloeibaar vet
- Laag smetpunt
- Korte vetzuren
- Onverzadigde vetzuren, met dubbele bindingen
- Hoe meer onverzadigdheden lager smeltpunt