Hoofdstuk 4
Drama lokt sociale interactie en daarmee specifiek gedrag uit. Als je de kinderen niet kent, kun je niet de
juiste begeleiding bepalen, omdat je niets weet over hun (sociale) structuur.
Belangrijke informatie bij het bepalen van de beginsituatie:
1. Leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind
Zijn van invloed op de werkvorm en de inhoud die je kiest.
2. Samenstelling van de groep
De grootte, de verhouding jongens en meisjes, de sociale samenstelling (groepsstructuur)
3. Kennis en ervaring met drama
Indeling dramales:
- Inleiding
Exemplarisch spel: één kind komt naar voren en speelt een voorbeeld dat te maken heeft met de
lesinhoud, de rest raadt en bespreekt het.
- Warming-up
Er komen vaardigheden aan bod die terug komen in de kern.
Tips: benoem positieve punten bij de kinderen (op spel), doe een dubbele warming-up (klassikaal
en tweetallen).
- Instructie
De opdracht leg je kort uit en je geeft een concreet beeld van de stappen die ze moeten zetten.
- Kern van de les
De vaardigheden worden toegepast.
- Afsluiting
Korte evaluatie of speltechnische verwerking.
Lesstructuren:
1. Dramales naar aanleiding van een handpop
Pop vertelt een verhaal, daarbij komen rollen kijken. Kinderen doen iets voor (exemplarisch
spel). In groepjes met een spelonderwerp en vervolgens een vrij spelmoment.
2. Pop en prentenboek
Pop introduceert. Vervolgens vier spelmomenten bij het prentenboek. Voorbeeld door een kind,
rest doet het na (exemplarisch spel). Afsluiting met vrij spelmoment.
3. Dramales vanuit een prentenboek
Uitnodigende introductie. Naspelen scenes uit het verhaal. Afsluiting met vrij spelmoment.
4. Dramales vanuit muziek
Muziek dat een beeld oproept. Kinderen bewegen op muziek. Presentaties in groepen. Zoeken
naar sfeer en momenten waarop synchroon bewogen kan worden met muziek.
5. Teacher-in-role
Inleiding een kort kringgesprek met exemplarisch spel (peilen welke inhoud bij de kinderen
bekend is). warming-up, kinderen spelen rollen uit het verhaal. Leraar vertelt probleem,
kinderen zoeken oplossing en spelen dit (einde is goed). Afsluiting met vrij spelmoment.
6. Themales
Thema inventariseren. Kind speelt geluidloos, de rest raadt. Twee aan twee situaties uitspelen.
Vervolgens een vertelpantomime of in werkgroepen.
7. Vertelpantomime 1
1