H2. Informatie verzamelen
2.1 Leerlingvolgsysteem
Veel scholen gebruiken het Leerling- en onderwijsvolgsysteem (LOVS) van Cito. Vanaf groep 3 zijn er
2 toetsen per jaar. Je hebt de M (midden) en E (eind) toetsen. De toetsen kunnen worden
geanalyseerd op leerling-, groeps- en schoolniveau. Het leerling rapport laat de ontwikkeling zien in
de loop van de jaren. De toetsen van Cito zijn betrouwbaar en valide. De handleiding bevat een tabel
waarmee de toetsscores kunnen worden omgezet in vaardigheidsscores en niveaus. Zo heb je de
niveaus I tot en met V. Waarbij I ver boven gemiddeld is, III het gemiddelde en V ver onder het
gemiddelde.
Een landelijke norm laat zien hoe de prestatie van de leerlingen is ten opzichte van het landelijke
gemiddelde.
2.2 Methodetoetsen
Alle reken-wiskundemethoden bevatten toetsen per blok. In de toets staan opdrachten die in het
blok naar voren zijn gekomen. De toetsresultaten laten zien in hoeverre het reken-
wiskundeonderwijs in de afgelopen weken effect heeft gehad.
Kwantitatieve analyse: op basis van aantal goede of foute antwoorden aangeven wat de leerling
meer of minder goed beheerst.
Kwalitatieve analyse: Beschrijven hoe de leerling gerekend heeft.
Er is onderscheid tussen echte fouten en vergissingen. Bij echte fouten komen voort uit
misverstanden, onvoldoende begrip, verkeerd gehanteerde strategieën of hiaten in de ontwikkeling.
Bij een vergissing is er vaak maar enkel foutje gemaakt. Daarom wordt er vaak de norm van 80%
gehanteerd. Heeft de leerling 80% goed, beheerst hij het onderdeel goed.
2.3 Schriftelijk werk
Kinderen maken bijna dagelijks hoeveelheid oefenwerk op papier. Veel leerkrachten kijken dit
dagelijks na. Dit nakijkwerk kan belangrijke informatie opleveren voor leerkracht en leerling. De
leerkracht moet een kwalitatieve analyse maken. Als kinderen tussennotaties of kladberekeningen
maken, kun je met nakijken van het werk bedenken hoe de leerlingen gerekend heeft. Je kunt dan
gelijk zien op welke niveau de leerling heeft gerekend.
H3. Begrijpen
3.1 Kritisch kijken
Voor een goed begrip van de leerresultaten is het nodig dat je kritisch kijkt naar de eigen methode en
je eigen onderwijs.
3.1.1 De invloed van de methode
Scholen besteden aandacht aan het kiezen van geschikte methode. Daarbij gaat men er vanuit dat in
de methoden staat wat de leerlingen moeten kennen en kunnen op gebied van taal en rekenen. In
2010 zijn hiervoor referentieniveaus vastgesteld. In het kader van rekening houden met verschillen
tussen de kinderen zijn de volgende kenmerken van belang:
- Dekt de methode stof voor referentieniveaus 1F en 1S?
- Geeft de methode vanaf groep 6 duidelijk aan wat de stof is voor 1F en 1S?
- Geeft de methode aan wat nieuwe stof is en wat herhalingsstof is?
- Heeft de methode goede toetsen, op grond waarvan de leerkracht het onderwijs kan
evalueren en nader afstemmen op de groep? Zijn er tempo toetsen?
- Is er voldoende en gevarieerde oefenstof voor de basisvaardigheden? En worden deze
vaardigheden voldoende in de bovenbouw bijgehouden?
- Biedt de methode betekenisvolle contexten met mogelijke oplossingen op verschillende
niveaus?