Dilara M. Kiziltepe
2585367
Week 5
SBR 4, hoofdstuk 2 – Nakoming en rechtsvorderingen
Onder nakoming wordt het verrichten van een prestatie die beantwoordt aan de verbintenis
verstaan. Voldoening is hier gewoonlijk een synoniem van.
De artikelen 6:31-36 en 6:43 BW spreken van betaling, terwijl zij ook gaan over de voldoening
van schulden die bestaan in het geven van een goed en het verrichten van een andere prestatie
dan de betaling van een geldsom.
Nakoming is de natuurlijke wijze van tenietgaan van een verbintenis. Verbintenissen kunnen
hiernaast ook tenietgaan door verrekening (art. 6:127 e.v. BW), afstand (art. 6:160 BW) en
vermenging (art. 6:61 BW).
Door subrogatie van de schuldenaar in de rechten die de schuldeiser tegen een derde heeft
(verzekeraar), blijft de verbintenis tegenover die derde bestaan, hoewel zij tussen partijen is
tenietgegaan.
Wie jegens een ander een verplichting heeft tot nakomen, kan hiertoe worden gevorderd op grond
van art. 3:296 BW. Naast het verbintenissenrecht is dit artikel ook van toepassing op het
goederenrecht en rechten op voortbrengselen van de geest.
Alleen als de verplichting afdwingbaar en opeisbaar is kan een vordering tot nakoming worden
gevorderd. Hierbij is verzuim en daarmee dus ook een ingebrekestelling niet nodig, noch is
toerekenbaarheid (art. 6:75 BW heeft hier dus geen rol).
Het recht op nakoming kent ook grenzen. Wanneer nakoming onmogelijk is geworden, zal de
vordering tot nakoming ook vervallen.
Een uitzondering op de hoofdregel dat een vordering tot nakoming slechts wordt toegewezen als
de verplichting opeisbaar is, is gelegen in lid 2. Iemand die onder een voorwaarde of tijdsbepaling
een verplichting heeft, kan ex art. 3:296 lid 2 BW onder die voorwaarde of tijdsbepaling worden
veroordeeld. Voorwaarde hierbij is echter wel dat de schuldeiser voldoende belang bij de
vordering moet hebben (art. 3:303 BW).
SBR 4, hoofdstuk 3 – Niet-nakoming
Een schuldeiser, die de hem verschuldigde prestatie niet ontvangt, heeft meerdere mogelijkheden
om te reageren op de niet-nakoming:
• Vorderen tot nakoming (art. 3:296 BW)
• Schadevordering voor de geleden schade (art. 6:74 BW)
• Vorderen vervangende schadevergoeding (art. 6:87 BW)
• Opschorten van eigen prestatie (art. 6:52 BW of art. 6:262 BW)
• Ontbinden van overeenkomst (art. 6:265 BW)
Voor toepassing van deze mogelijkheden zijn meestal vereisten voor gesteld. Twee belangrijke
vereisten zijn de toerekenbaarheid van de niet-nakoming aan de schuldenaar en het verzuim.
Voor de schadeplichtigheid is de toerekenbaarheid een belangrijke eis. De schuldenaar hoeft in
beginsel alleen schadevergoeding te betalen als er sprake is van een toerekenbare niet-nakoming
(wanprestatie). Als deze niet-nakoming niet toegerekend kan worden aan de schuldenaar is er
overmacht. In dit geval is schuldenaar niet schadeplichtig, tenzij art. 6:78 BW van toepassing is
Ook een ingebrekestelling is vaak een vereiste. Als de schuldenaar dan niet presteert binnen de
termijn daarin genoemd, raakt deze in verzuim.
Niet-nakoming omvat ieder geval waarin de schuldeiser de hem verschuldigde prestatie niet
ontvangt (of dit nou wel of niet aan schuldenaar is toe te rekenen).
Met tekortkoming wordt alle gevallen bedoeld waarin de prestatie achterblijft bij hetgeen de
verbintenis vergt. Dit wil zeggen dat de verbintenis opeisbaar is. Het is wel ruimer dan het begrip
verzuim in de zin dat verzuim slechts betrekking op toerekenbare vertragingssituaties heeft,
terwijl tekortkomen ook de onmogelijkheid van de prestatie omvat en ook de situatie van
overmacht bevat.
Bij blijvende onmogelijkheid treedt de tekortkoming meteen in op het moment van de
onmogelijkheid (wanprestatie of overmacht is niet van belang).
Pagina 1 van 8
2585367
Week 5
SBR 4, hoofdstuk 2 – Nakoming en rechtsvorderingen
Onder nakoming wordt het verrichten van een prestatie die beantwoordt aan de verbintenis
verstaan. Voldoening is hier gewoonlijk een synoniem van.
De artikelen 6:31-36 en 6:43 BW spreken van betaling, terwijl zij ook gaan over de voldoening
van schulden die bestaan in het geven van een goed en het verrichten van een andere prestatie
dan de betaling van een geldsom.
Nakoming is de natuurlijke wijze van tenietgaan van een verbintenis. Verbintenissen kunnen
hiernaast ook tenietgaan door verrekening (art. 6:127 e.v. BW), afstand (art. 6:160 BW) en
vermenging (art. 6:61 BW).
Door subrogatie van de schuldenaar in de rechten die de schuldeiser tegen een derde heeft
(verzekeraar), blijft de verbintenis tegenover die derde bestaan, hoewel zij tussen partijen is
tenietgegaan.
Wie jegens een ander een verplichting heeft tot nakomen, kan hiertoe worden gevorderd op grond
van art. 3:296 BW. Naast het verbintenissenrecht is dit artikel ook van toepassing op het
goederenrecht en rechten op voortbrengselen van de geest.
Alleen als de verplichting afdwingbaar en opeisbaar is kan een vordering tot nakoming worden
gevorderd. Hierbij is verzuim en daarmee dus ook een ingebrekestelling niet nodig, noch is
toerekenbaarheid (art. 6:75 BW heeft hier dus geen rol).
Het recht op nakoming kent ook grenzen. Wanneer nakoming onmogelijk is geworden, zal de
vordering tot nakoming ook vervallen.
Een uitzondering op de hoofdregel dat een vordering tot nakoming slechts wordt toegewezen als
de verplichting opeisbaar is, is gelegen in lid 2. Iemand die onder een voorwaarde of tijdsbepaling
een verplichting heeft, kan ex art. 3:296 lid 2 BW onder die voorwaarde of tijdsbepaling worden
veroordeeld. Voorwaarde hierbij is echter wel dat de schuldeiser voldoende belang bij de
vordering moet hebben (art. 3:303 BW).
SBR 4, hoofdstuk 3 – Niet-nakoming
Een schuldeiser, die de hem verschuldigde prestatie niet ontvangt, heeft meerdere mogelijkheden
om te reageren op de niet-nakoming:
• Vorderen tot nakoming (art. 3:296 BW)
• Schadevordering voor de geleden schade (art. 6:74 BW)
• Vorderen vervangende schadevergoeding (art. 6:87 BW)
• Opschorten van eigen prestatie (art. 6:52 BW of art. 6:262 BW)
• Ontbinden van overeenkomst (art. 6:265 BW)
Voor toepassing van deze mogelijkheden zijn meestal vereisten voor gesteld. Twee belangrijke
vereisten zijn de toerekenbaarheid van de niet-nakoming aan de schuldenaar en het verzuim.
Voor de schadeplichtigheid is de toerekenbaarheid een belangrijke eis. De schuldenaar hoeft in
beginsel alleen schadevergoeding te betalen als er sprake is van een toerekenbare niet-nakoming
(wanprestatie). Als deze niet-nakoming niet toegerekend kan worden aan de schuldenaar is er
overmacht. In dit geval is schuldenaar niet schadeplichtig, tenzij art. 6:78 BW van toepassing is
Ook een ingebrekestelling is vaak een vereiste. Als de schuldenaar dan niet presteert binnen de
termijn daarin genoemd, raakt deze in verzuim.
Niet-nakoming omvat ieder geval waarin de schuldeiser de hem verschuldigde prestatie niet
ontvangt (of dit nou wel of niet aan schuldenaar is toe te rekenen).
Met tekortkoming wordt alle gevallen bedoeld waarin de prestatie achterblijft bij hetgeen de
verbintenis vergt. Dit wil zeggen dat de verbintenis opeisbaar is. Het is wel ruimer dan het begrip
verzuim in de zin dat verzuim slechts betrekking op toerekenbare vertragingssituaties heeft,
terwijl tekortkomen ook de onmogelijkheid van de prestatie omvat en ook de situatie van
overmacht bevat.
Bij blijvende onmogelijkheid treedt de tekortkoming meteen in op het moment van de
onmogelijkheid (wanprestatie of overmacht is niet van belang).
Pagina 1 van 8