Dilara M. Kiziltepe
2585367
Week 6
SBR 4, hoofdstuk 3 - Niet-nakoming
Als een der partijen niet nakomt, zal de ander geneigd zijn de eigen prestatie achter te houden
totdat deze het verschuldigde heeft ontvangen. Voor een dergelijke opschorting stelt de wet echter
eisen (art. 6:52 BW). Voor een opschorting is vereist dat vordering en schuld voldoende
samenhangen om de opschorting te rechtvaardigen. De reden voor de mogelijkheid tot
opschorten ligt dus in de samenhang van de wederzijdse prestaties.
De opschortingsbevoegdheid bij wederkerige overeenkomsten is een bijzondere regeling, en wordt
aangeduid als exeptio non adimpleti contractus (enac) en het retentierecht.
De enac staat in art. 6:262 BW en biedt een ruimere mogelijkheid tot opschorting. Deze geldt
echter alleen voor tegenover elkaar staande verbintenissen (die dus zeer nauw met elkaar
samenhangen).
Het retentierecht is voor degene die een zaak moet afgeven aan iemand op wie hij dan weer een
vordering heeft. Hij mag de zaak onder zich houden totdat de vordering wordt voldaan (art.
3:290 BW). Dit is onderdeel van het goederenrecht.
Gesteld kan worden dat de grondslag van het opschortingsrecht voortkomt uit de redelijkheid en
billijkheid. Dit is echter niet voldoende als enkele rechtsgrond, en wordt daarom aangevuld met
connexiteit (voldoende samenhang). De basis van het opschortingsrecht ligt in het verband dat
bestaat tussen beide concrete verplichtingen tot presteren. Als de samenhang tussen wederzijdse
prestaties ontbreekt is opschorten ook niet mogelijk.
De enac kent strengere eisen betreft de connexiteit. Hierbij moet het gaan om tegenover elkaar
staande verplichtingen.
Als er een minder nauw verband is, moet er aan de hand van ‘voldoende samenhang’ beslist
worden of en in hoeverre kan worden opgeschort. Dit stelt echter niet ter zijde dat de
mogelijkheid van een opschortingsrecht uiteindelijk voortkomt uit de wijze waarop partijen zich
jegens elkaar dienen te gedragen. In elk geval dient een beroep op een opschortingsrechts hierom
steeds in overeenstemming te zijn met de redelijkheid en billijkheid.
Een opschortingsrecht is ten eerste een drukmiddel. Het achterhouden van de prestatie zal voor
de wederpartij een prikkel zijn om toch te presteren.
Ten tweede biedt het opschortingsrecht een soort zekerheidsrecht voor degene die het gebruikt.
Het opschortingsrecht lijkt steeds de zekerheid te bieden dat de schuldenaar alleen hoeft te
presteren wanner hij daadwerkelijk de tegenprestatie ontvangt.
Als bij een wederkerige overeenkomst de tegenprestatie niet wordt aangeboden, kan degene die
eerst een beroep op de enac deed vervolgens de overeenkomst ontbinden.
Opschorting mag alleen door de partij die een opeisbare vordering heeft. Een verbintenis is
meteen na ontstaan opeisbaar, tenzij er een tijdstip voor de nakoming is bepaald (art. 6:38 BW).
Uit de wet, overeenkomst of gebruik zal vaak volgen dat een van de partijen als eerst moet
presteren. Deze kan dan niet opschorten.
In gevallen waarin gelijktijdig gepresteerd moet worden, verwijst de Hoge Raad naar de
ontbindingsmogelijkheden (® opschorting is dus niet mogelijk).
Een beroep op het opschortingsrecht is een reactie op de niet-nakoming. Toerekenbaarheid of
verzuim zijn hierbij niet nodig. In art. 6:262 lid 2 BW is wel vereist voor de opschorting dat de
tekortkoming haar rechtvaardigt. Bij de algemene opschorting van art. 6:52 BW is er niet zo een
bepaling, maar vloeit dezelfde regeling toch voort uit de parlementaire geschiedenis.
Voor een beroep op enac (art. 6:262 BW) is een zeer nauw verband vereist tussen dat wat over
en weer gepresteerd moet worden. Bovendien kan de schuldeiser die opschort alleen zijn
daartegenover staande verplichtingen opschorten. Dit zijn de hoofdverplichtingen uit wederkerige
overeenkomsten.
Op nevenverplichtingen heeft de enac geen betrekken. Hierbij zal naar een dergelijke
mogelijkheid gekeken moeten worden via de algemene regeling (art. 6:52 BW). De eis van
connexiteit komt in art. 6:52 BW naar voren met de woorden ‘voldoende samenhang’. De
connexiteitseis van art. 6:52 BW is een open norm.
Pagina 1 van 9
2585367
Week 6
SBR 4, hoofdstuk 3 - Niet-nakoming
Als een der partijen niet nakomt, zal de ander geneigd zijn de eigen prestatie achter te houden
totdat deze het verschuldigde heeft ontvangen. Voor een dergelijke opschorting stelt de wet echter
eisen (art. 6:52 BW). Voor een opschorting is vereist dat vordering en schuld voldoende
samenhangen om de opschorting te rechtvaardigen. De reden voor de mogelijkheid tot
opschorten ligt dus in de samenhang van de wederzijdse prestaties.
De opschortingsbevoegdheid bij wederkerige overeenkomsten is een bijzondere regeling, en wordt
aangeduid als exeptio non adimpleti contractus (enac) en het retentierecht.
De enac staat in art. 6:262 BW en biedt een ruimere mogelijkheid tot opschorting. Deze geldt
echter alleen voor tegenover elkaar staande verbintenissen (die dus zeer nauw met elkaar
samenhangen).
Het retentierecht is voor degene die een zaak moet afgeven aan iemand op wie hij dan weer een
vordering heeft. Hij mag de zaak onder zich houden totdat de vordering wordt voldaan (art.
3:290 BW). Dit is onderdeel van het goederenrecht.
Gesteld kan worden dat de grondslag van het opschortingsrecht voortkomt uit de redelijkheid en
billijkheid. Dit is echter niet voldoende als enkele rechtsgrond, en wordt daarom aangevuld met
connexiteit (voldoende samenhang). De basis van het opschortingsrecht ligt in het verband dat
bestaat tussen beide concrete verplichtingen tot presteren. Als de samenhang tussen wederzijdse
prestaties ontbreekt is opschorten ook niet mogelijk.
De enac kent strengere eisen betreft de connexiteit. Hierbij moet het gaan om tegenover elkaar
staande verplichtingen.
Als er een minder nauw verband is, moet er aan de hand van ‘voldoende samenhang’ beslist
worden of en in hoeverre kan worden opgeschort. Dit stelt echter niet ter zijde dat de
mogelijkheid van een opschortingsrecht uiteindelijk voortkomt uit de wijze waarop partijen zich
jegens elkaar dienen te gedragen. In elk geval dient een beroep op een opschortingsrechts hierom
steeds in overeenstemming te zijn met de redelijkheid en billijkheid.
Een opschortingsrecht is ten eerste een drukmiddel. Het achterhouden van de prestatie zal voor
de wederpartij een prikkel zijn om toch te presteren.
Ten tweede biedt het opschortingsrecht een soort zekerheidsrecht voor degene die het gebruikt.
Het opschortingsrecht lijkt steeds de zekerheid te bieden dat de schuldenaar alleen hoeft te
presteren wanner hij daadwerkelijk de tegenprestatie ontvangt.
Als bij een wederkerige overeenkomst de tegenprestatie niet wordt aangeboden, kan degene die
eerst een beroep op de enac deed vervolgens de overeenkomst ontbinden.
Opschorting mag alleen door de partij die een opeisbare vordering heeft. Een verbintenis is
meteen na ontstaan opeisbaar, tenzij er een tijdstip voor de nakoming is bepaald (art. 6:38 BW).
Uit de wet, overeenkomst of gebruik zal vaak volgen dat een van de partijen als eerst moet
presteren. Deze kan dan niet opschorten.
In gevallen waarin gelijktijdig gepresteerd moet worden, verwijst de Hoge Raad naar de
ontbindingsmogelijkheden (® opschorting is dus niet mogelijk).
Een beroep op het opschortingsrecht is een reactie op de niet-nakoming. Toerekenbaarheid of
verzuim zijn hierbij niet nodig. In art. 6:262 lid 2 BW is wel vereist voor de opschorting dat de
tekortkoming haar rechtvaardigt. Bij de algemene opschorting van art. 6:52 BW is er niet zo een
bepaling, maar vloeit dezelfde regeling toch voort uit de parlementaire geschiedenis.
Voor een beroep op enac (art. 6:262 BW) is een zeer nauw verband vereist tussen dat wat over
en weer gepresteerd moet worden. Bovendien kan de schuldeiser die opschort alleen zijn
daartegenover staande verplichtingen opschorten. Dit zijn de hoofdverplichtingen uit wederkerige
overeenkomsten.
Op nevenverplichtingen heeft de enac geen betrekken. Hierbij zal naar een dergelijke
mogelijkheid gekeken moeten worden via de algemene regeling (art. 6:52 BW). De eis van
connexiteit komt in art. 6:52 BW naar voren met de woorden ‘voldoende samenhang’. De
connexiteitseis van art. 6:52 BW is een open norm.
Pagina 1 van 9