Microbiologie Periode 1 en 2 -3
Inhoud
Les 1 Micro-organismen algemeen ................................................................................................................................. 5
* je kunt aangeven wat micro-organismen zijn (globale omschrijving), welke verschillende soorten er bestaan die
relevant zijn voor de levensmiddelenmicrobiologie en globaal beschrijven hoe deze soorten er uitzien..................... 5
* je kunt uitleggen hoe de samenstelling van de bacteriële celwand bepaald tot welke groep een bacterie behoort
en hoe je dit verschil in celwandsamenstelling aantoont; .............................................................................................. 6
* je weet waarom bacteriën sporen vormen en welke geslachten dat doen met betrekking tot de
levensmiddelenmicrobiologie, en waarom schimmels sporen vormen; ........................................................................ 6
* je kent de verschillende vormen van zuurstofbehoefte van bacteriën, schimmels en gisten en kunt deze
toelichten;........................................................................................................................................................................ 6
* je kunt aangeven welke stoffen van bacteriën en schimmels kunnen leiden tot ziekte; ............................................ 6
* je kunt uitleggen waarom, strikt genomen, virussen niet tot de micro-organismen behoren (benoem minimaal 2
aspecten) ......................................................................................................................................................................... 7
Les 2 Nuttige, lastige en gevaarlijke micro-organismen.................................................................................................. 7
* je kunt nuttige, lastige en gevaarlijke aspecten van micro-organismen beschrijven en van ieder aspect minimaal 1
voorbeeld geven .............................................................................................................................................................. 7
* je kunt de 4 verschillende vormen van bederf toelichten in van iedere vorm 1 voorbeeld geven; ............................ 7
* je weet wanneer er sprake is van microbieel bederf (aantallen micro-organismen in niet-gefermenteerde
producten); ...................................................................................................................................................................... 7
* je kunt uitleggen wat het verschil is tussen fermentatie en bederf ............................................................................ 8
* je kunt minimaal 4 fermentatietypes benoemen en van ieder type aangeven welk typische product er gevormd
wordt en van ieder type een levensmiddel als voorbeeld geven ................................................................................... 8
* je kunt uitleggen of micro-organismen in voedsel al dan niet schadelijk zijn boven bepaalde aantallen per gram of
milliliter ............................................................................................................................................................................ 8
* je kent minimaal 4 verschillen tussen een voedselinfectie en een voedselvergiftiging .............................................. 8
* je weet wat YOPI’s zijn .................................................................................................................................................. 9
* je kent alle in Nederland relevante bacteriële voedselpathogenen ............................................................................ 9
* je kent de twee belangrijkste soorten virussen waarvan overdracht via voedingsmiddelen mogelijk is.................. 10
* van deze soorten virussen weet je wat de gevaren zijn als ze in voedingsmiddelen zitten (MID,stabiliteit)............ 11
* je weet wat de begrippen ‘tussengastheer’ en ‘eindgastheer’ aanduiden in relatie tot parasieten in voedsel ....... 11
* je kunt van de parasiet Toxoplasma gondii beschrijven wat het gevaar van humane besmetting is, hoe mensen
geïnfecteerd worden met deze parasiet (benoem minimaal 2 besmettingsroutes), en je weet of de mens dient als
tussen- of eindgastheer ................................................................................................................................................. 11
* je kent minimaal 4 soorten wormen waarvan overdracht via voedingsmiddelen mogelijk is .................................. 12
Inhoud
Les 1 Micro-organismen algemeen ................................................................................................................................. 5
* je kunt aangeven wat micro-organismen zijn (globale omschrijving), welke verschillende soorten er bestaan die
relevant zijn voor de levensmiddelenmicrobiologie en globaal beschrijven hoe deze soorten er uitzien..................... 5
* je kunt uitleggen hoe de samenstelling van de bacteriële celwand bepaald tot welke groep een bacterie behoort
en hoe je dit verschil in celwandsamenstelling aantoont; .............................................................................................. 6
* je weet waarom bacteriën sporen vormen en welke geslachten dat doen met betrekking tot de
levensmiddelenmicrobiologie, en waarom schimmels sporen vormen; ........................................................................ 6
* je kent de verschillende vormen van zuurstofbehoefte van bacteriën, schimmels en gisten en kunt deze
toelichten;........................................................................................................................................................................ 6
* je kunt aangeven welke stoffen van bacteriën en schimmels kunnen leiden tot ziekte; ............................................ 6
* je kunt uitleggen waarom, strikt genomen, virussen niet tot de micro-organismen behoren (benoem minimaal 2
aspecten) ......................................................................................................................................................................... 7
Les 2 Nuttige, lastige en gevaarlijke micro-organismen.................................................................................................. 7
* je kunt nuttige, lastige en gevaarlijke aspecten van micro-organismen beschrijven en van ieder aspect minimaal 1
voorbeeld geven .............................................................................................................................................................. 7
* je kunt de 4 verschillende vormen van bederf toelichten in van iedere vorm 1 voorbeeld geven; ............................ 7
* je weet wanneer er sprake is van microbieel bederf (aantallen micro-organismen in niet-gefermenteerde
producten); ...................................................................................................................................................................... 7
* je kunt uitleggen wat het verschil is tussen fermentatie en bederf ............................................................................ 8
* je kunt minimaal 4 fermentatietypes benoemen en van ieder type aangeven welk typische product er gevormd
wordt en van ieder type een levensmiddel als voorbeeld geven ................................................................................... 8
* je kunt uitleggen of micro-organismen in voedsel al dan niet schadelijk zijn boven bepaalde aantallen per gram of
milliliter ............................................................................................................................................................................ 8
* je kent minimaal 4 verschillen tussen een voedselinfectie en een voedselvergiftiging .............................................. 8
* je weet wat YOPI’s zijn .................................................................................................................................................. 9
* je kent alle in Nederland relevante bacteriële voedselpathogenen ............................................................................ 9
* je kent de twee belangrijkste soorten virussen waarvan overdracht via voedingsmiddelen mogelijk is.................. 10
* van deze soorten virussen weet je wat de gevaren zijn als ze in voedingsmiddelen zitten (MID,stabiliteit)............ 11
* je weet wat de begrippen ‘tussengastheer’ en ‘eindgastheer’ aanduiden in relatie tot parasieten in voedsel ....... 11
* je kunt van de parasiet Toxoplasma gondii beschrijven wat het gevaar van humane besmetting is, hoe mensen
geïnfecteerd worden met deze parasiet (benoem minimaal 2 besmettingsroutes), en je weet of de mens dient als
tussen- of eindgastheer ................................................................................................................................................. 11
* je kent minimaal 4 soorten wormen waarvan overdracht via voedingsmiddelen mogelijk is .................................. 12