Samenvatting Mankiw
Hoofdstuk 32
3 feiten over economische fluctueren:
1. Ze zijn onregelmatig en onvoorspelbaar
2. De meeste macro-economische variabelen fluctueren samen
3. Wanneer produceren minder wordt, stijgt de werkloosheid Okun’s law = Als de
werkloosheid met 1% moet dalen moet het reële BBP met 2% stijgen.
Uitleg korte termijn economische fluctuatie:
Om de economische fluctuatie op de korte termijn te begrijpen gebruiken we het AD/AS model. De
eerste variabele is de productie van goederen en diensten gemeten door het reële BBP (horizontale
as). De tweede variabele is het algemene prijspeil, een gemiddelde van alle goederen en diensten
gemeten door het CPI of de BBP deflator (verticale as). Output is een reële variabele en het prijspeil
een nominale. De geaggregeerde vraagcurve laat de hoeveelheid goederen en diensten zien dat de
inwoners van een economie tegen elk prijslevel wilt kopen. De geaggregeerde aanbodcurve laat de
hoeveelheid goederen en diensten zien dat fabrikanten produceren tegen een bepaalde prijs.
De geaggregeerde vraagcurve
3 redenen waarom de geaggregeerde vraagcurve een dalend verloop heeft:
Houd in gedachte BBP = Y = C + I + O + (Export – Import)
1. Wealth effect (C): Prijspeil daalt mensen voelen zich rijker ze geven meer uit
hierdoor stijgt aantal gevraagde goederen en diensten
2. Interest rate effect (I): Prijspeil daalt rente daalt grotere investeringen hierdoor
stijgt het aantal gevraagde goederen en diensten
3. Exchange rate effect (wisselkoerseffect) (O): Prijspeil daalt in Europa rente daalt Europa
reële wisselkoers deprecieert Stimuleert de export van Europa hierdoor stijgt het
aantal gevraagde goederen en diensten
Hoofdstuk 32
3 feiten over economische fluctueren:
1. Ze zijn onregelmatig en onvoorspelbaar
2. De meeste macro-economische variabelen fluctueren samen
3. Wanneer produceren minder wordt, stijgt de werkloosheid Okun’s law = Als de
werkloosheid met 1% moet dalen moet het reële BBP met 2% stijgen.
Uitleg korte termijn economische fluctuatie:
Om de economische fluctuatie op de korte termijn te begrijpen gebruiken we het AD/AS model. De
eerste variabele is de productie van goederen en diensten gemeten door het reële BBP (horizontale
as). De tweede variabele is het algemene prijspeil, een gemiddelde van alle goederen en diensten
gemeten door het CPI of de BBP deflator (verticale as). Output is een reële variabele en het prijspeil
een nominale. De geaggregeerde vraagcurve laat de hoeveelheid goederen en diensten zien dat de
inwoners van een economie tegen elk prijslevel wilt kopen. De geaggregeerde aanbodcurve laat de
hoeveelheid goederen en diensten zien dat fabrikanten produceren tegen een bepaalde prijs.
De geaggregeerde vraagcurve
3 redenen waarom de geaggregeerde vraagcurve een dalend verloop heeft:
Houd in gedachte BBP = Y = C + I + O + (Export – Import)
1. Wealth effect (C): Prijspeil daalt mensen voelen zich rijker ze geven meer uit
hierdoor stijgt aantal gevraagde goederen en diensten
2. Interest rate effect (I): Prijspeil daalt rente daalt grotere investeringen hierdoor
stijgt het aantal gevraagde goederen en diensten
3. Exchange rate effect (wisselkoerseffect) (O): Prijspeil daalt in Europa rente daalt Europa
reële wisselkoers deprecieert Stimuleert de export van Europa hierdoor stijgt het
aantal gevraagde goederen en diensten