Samenvatting Vastgoedeconomie
B.1.1.1 Consumeren
Als mensen goederen en diensten kopen voor de bevrediging van behoeften heet dat consumeren. De definitie van
consumptie is: “het besteden van inkomen aan goederen en diensten door de consument in de ruimste zin van het
woord”. Met het beschikbare inkomen moet de consument keuzes maken om in zijn behoeften te kunnen voorzien.
Sparen
Het besteedbaar inkomen hoeven mensen niet in één keer uit te geven aan hun behoeften. Ze kunnen er voor kiezen
een deel opzij te leggen om later uit te geven. Het niet-consumeren wordt sparen genoemd. Sparen is te omschrijven als
uitgesteld consumeren.
B.1.1.2 Verschil tussen consumptiegoederen en Investeringsgoederen
Consumptiegoederen zijn goederen die bedoeld zijn om te consumeren en zijn dan ook bedoeld voor de
consumentenmarkt. Goederen die consumenten in winkels kopen zijn dus allemaal consumptiegoederen.
Investeringsgoederen zijn goederen die gemaakt en aangeschaft worden door en voor bedrijven. Deze
investeringsgoederen worden ingezet voor de productie. Het betreft hier dan business to business goederen. De
hierboven genoemde productiestraat voor auto’s is een voorbeeld van een investeringsgoed. De autofabrikant
investeert in een complete fabriek en koopt de benodigde machines en robots van een ander bedrijf.
Een goed kan zowel een consumptie- als investeringsgoed zijn, afhankelijk van de bestemming. Een auto of laptop
aangeschaft door een particulier, die die goederen voor zichzelf gebruikt, worden beschouwd als een consumptiegoed.
Als een makelaar auto’s of laptops aanschaft voor de bedrijfsvoering van het makelaarskantoor en deze goederen in de
financiële administratie zijn opgenomen, is er sprake van investeringsgoederen. Investeringsgoederen worden ook wel
kapitaalgoederen genoemd.
B.1.1.3 Casus comsumptiegoederen / investeringsgoederen
• Een makelaarskantoor koopt twee Fiat 500’s, die vervolgens aan een aantal makelaars ter beschikking worden gesteld.
Wat voor een soort goederen zijn deze auto’s? Consumptiegoederen of investeringsgoederen?
Investeringsgoederen, ook wel kapitaalgoederen genoemd
• Stel dat die auto’s na 4 jaar aan die makelaars worden verkocht en zij er privé in gaan rijden. Wat voor een soort
goederen zijn deze auto’s dan? Consumptiegoederen of investeringsgoederen?
Consumptiegoederen
B.3.1.5 Marktvorm
Een marktvorm is gedefinieerd als het geheel van omstandigheden waaronder bedrijven opereren en met elkaar
concurreren. Iedere aanbieder van een product of dienst bevindt zich in een bepaalde marktvorm en deze marktvorm
bepaalt voor een groot deel zijn handelen.
B.3.1.6 Factoren marktvormen
Er zijn verschillende marktvormen waarbinnen ondernemingen actief kunnen zijn. De vier factoren die van invloed zijn
op de soort marktvorm waarin een aanbieder van een product of dienst zich bevindt zijn:
1. het aantal marktpartijen;
• Aantal aanbieders
- Veel aanbieders: individuele aanbieders kunnen de marktprijs niet beïnvloeden, die moet als een gegeven beschouwd
worden.
- Enkele aanbieders: een paar bedrijven hebben >80% van de markt in handen.
• Aantal vragers
- Veel vragers: individuele vragers kunnen geen invloed uitoefenen op de prijs van het product.
- (In de modellen hierna wordt overal uitgegaan van veel vragers en is hier dus geen bepalende factor).
2. de aard van de goederen en/of diensten;
B.3.1.8 Homogeen: identiek in ogen van de consument. VB: Eieren van de boerderij, landbouw producten,
Heterogeen: Kleine verschillen, ander uiterlijk. Komt door productdifferentiatie: bedrijven onderscheiden
B.3.1.9 producten ten opzichte van concurrenten, dmv productkenmerken merk, verpakking, kwaliteit, sfeer, service, (extra)
functionaliteit, etc. Homogene producten kunnen ook onderscheidend gemaakt worden door te investeren in
productdifferentiatie. VB: Iphone & Samsung, iets met een merk is al een heterogeen product.
3. de transparantie van de markt;
• Transparante markt: alle kopers en verkopers zijn volledig op de hoogte zijn van alle omstandigheden die de koop en
verkoop beïnvloeden.
• Partijen zijn snel op de hoogte van soorten producten en prijzen.
• Er is inzicht in proces van informatie-uitwisseling en prijsvorming.
• Producten met een gelijke waarde zullen een gelijke prijs krijgen.
, 4. de toetredingsmogelijkheden tot de markt.
• Vrije toe- en uittreding: als er geen belemmeringen zijn om tot een markt toe te treden en eruit te stappen, is er vrije
toe- en uittreding.
• Toetredingsmogelijkheden bepalen het aantal aanbieders op de markt.
• Belemmeringen kunnen juridisch, technologisch, financieel of concurrentieel zijn.
B.3.1.11 Vier marktvormen
1. Volledige mededinging (volkomen concurrentie)
• is een gegeven: aanbieder = prijsnemer.
• Hoeveelheidsaanpasser: alleen door meer goederen aan te bieden kan de omzet omhoog.
• Bijv. veemarkt / aardappelmarkt.
2. Monopolie
• Eén aanbieder.
• De aanbieder bepaalt prijs en afzet. Hij is prijszetter.
• Ontstaat vaak bij 1e of vroege aanbieders door extreme schaalvoordelen, waardoor concurrenten daar niet meer
tegen kunnen concurreren als ze zouden starten. (Google heeft bijna de hele markt van zoekmachines).
• Of doordat ze door bijv. de staat zijn aangewezen als enige mogelijke aanbieder. (Prorail is enige aanbieder van trein-
infrastructuur).
3. Monopolistische concurrentie
• Veel aanbieders & heterogeen product.
• Onderscheiden door: marketing.
• Doel: merkentrouw. • Voorbeeld: makelaar, auto’s.
4. Oligopolie (soms Duopolie)
• Enkele aanbieders of twee bij een duopolie.
• Homogene oligopolie als producten veel op elkaar lijken.
• Heterogene oligopolie als producten onderscheidend zijn.
• Kans op een prijzenoorlog om de gunst van de consument.
• Voorbeeld: banken, zorgverzekeraars, telecom.
Marktvorm oligopolie
• Gedragingen van oligopolisten:
• prijsstarheid • reactie-hypothese
• De oligopolisten zijn met weinig, men kent elkaar, dus prijs- en andere afspraken liggen voor de hand.
• Gevolg:
• Consument en / of overheid is de dupe • Oplossing:
• Waakhond: ACM
B.1.1.1 Consumeren
Als mensen goederen en diensten kopen voor de bevrediging van behoeften heet dat consumeren. De definitie van
consumptie is: “het besteden van inkomen aan goederen en diensten door de consument in de ruimste zin van het
woord”. Met het beschikbare inkomen moet de consument keuzes maken om in zijn behoeften te kunnen voorzien.
Sparen
Het besteedbaar inkomen hoeven mensen niet in één keer uit te geven aan hun behoeften. Ze kunnen er voor kiezen
een deel opzij te leggen om later uit te geven. Het niet-consumeren wordt sparen genoemd. Sparen is te omschrijven als
uitgesteld consumeren.
B.1.1.2 Verschil tussen consumptiegoederen en Investeringsgoederen
Consumptiegoederen zijn goederen die bedoeld zijn om te consumeren en zijn dan ook bedoeld voor de
consumentenmarkt. Goederen die consumenten in winkels kopen zijn dus allemaal consumptiegoederen.
Investeringsgoederen zijn goederen die gemaakt en aangeschaft worden door en voor bedrijven. Deze
investeringsgoederen worden ingezet voor de productie. Het betreft hier dan business to business goederen. De
hierboven genoemde productiestraat voor auto’s is een voorbeeld van een investeringsgoed. De autofabrikant
investeert in een complete fabriek en koopt de benodigde machines en robots van een ander bedrijf.
Een goed kan zowel een consumptie- als investeringsgoed zijn, afhankelijk van de bestemming. Een auto of laptop
aangeschaft door een particulier, die die goederen voor zichzelf gebruikt, worden beschouwd als een consumptiegoed.
Als een makelaar auto’s of laptops aanschaft voor de bedrijfsvoering van het makelaarskantoor en deze goederen in de
financiële administratie zijn opgenomen, is er sprake van investeringsgoederen. Investeringsgoederen worden ook wel
kapitaalgoederen genoemd.
B.1.1.3 Casus comsumptiegoederen / investeringsgoederen
• Een makelaarskantoor koopt twee Fiat 500’s, die vervolgens aan een aantal makelaars ter beschikking worden gesteld.
Wat voor een soort goederen zijn deze auto’s? Consumptiegoederen of investeringsgoederen?
Investeringsgoederen, ook wel kapitaalgoederen genoemd
• Stel dat die auto’s na 4 jaar aan die makelaars worden verkocht en zij er privé in gaan rijden. Wat voor een soort
goederen zijn deze auto’s dan? Consumptiegoederen of investeringsgoederen?
Consumptiegoederen
B.3.1.5 Marktvorm
Een marktvorm is gedefinieerd als het geheel van omstandigheden waaronder bedrijven opereren en met elkaar
concurreren. Iedere aanbieder van een product of dienst bevindt zich in een bepaalde marktvorm en deze marktvorm
bepaalt voor een groot deel zijn handelen.
B.3.1.6 Factoren marktvormen
Er zijn verschillende marktvormen waarbinnen ondernemingen actief kunnen zijn. De vier factoren die van invloed zijn
op de soort marktvorm waarin een aanbieder van een product of dienst zich bevindt zijn:
1. het aantal marktpartijen;
• Aantal aanbieders
- Veel aanbieders: individuele aanbieders kunnen de marktprijs niet beïnvloeden, die moet als een gegeven beschouwd
worden.
- Enkele aanbieders: een paar bedrijven hebben >80% van de markt in handen.
• Aantal vragers
- Veel vragers: individuele vragers kunnen geen invloed uitoefenen op de prijs van het product.
- (In de modellen hierna wordt overal uitgegaan van veel vragers en is hier dus geen bepalende factor).
2. de aard van de goederen en/of diensten;
B.3.1.8 Homogeen: identiek in ogen van de consument. VB: Eieren van de boerderij, landbouw producten,
Heterogeen: Kleine verschillen, ander uiterlijk. Komt door productdifferentiatie: bedrijven onderscheiden
B.3.1.9 producten ten opzichte van concurrenten, dmv productkenmerken merk, verpakking, kwaliteit, sfeer, service, (extra)
functionaliteit, etc. Homogene producten kunnen ook onderscheidend gemaakt worden door te investeren in
productdifferentiatie. VB: Iphone & Samsung, iets met een merk is al een heterogeen product.
3. de transparantie van de markt;
• Transparante markt: alle kopers en verkopers zijn volledig op de hoogte zijn van alle omstandigheden die de koop en
verkoop beïnvloeden.
• Partijen zijn snel op de hoogte van soorten producten en prijzen.
• Er is inzicht in proces van informatie-uitwisseling en prijsvorming.
• Producten met een gelijke waarde zullen een gelijke prijs krijgen.
, 4. de toetredingsmogelijkheden tot de markt.
• Vrije toe- en uittreding: als er geen belemmeringen zijn om tot een markt toe te treden en eruit te stappen, is er vrije
toe- en uittreding.
• Toetredingsmogelijkheden bepalen het aantal aanbieders op de markt.
• Belemmeringen kunnen juridisch, technologisch, financieel of concurrentieel zijn.
B.3.1.11 Vier marktvormen
1. Volledige mededinging (volkomen concurrentie)
• is een gegeven: aanbieder = prijsnemer.
• Hoeveelheidsaanpasser: alleen door meer goederen aan te bieden kan de omzet omhoog.
• Bijv. veemarkt / aardappelmarkt.
2. Monopolie
• Eén aanbieder.
• De aanbieder bepaalt prijs en afzet. Hij is prijszetter.
• Ontstaat vaak bij 1e of vroege aanbieders door extreme schaalvoordelen, waardoor concurrenten daar niet meer
tegen kunnen concurreren als ze zouden starten. (Google heeft bijna de hele markt van zoekmachines).
• Of doordat ze door bijv. de staat zijn aangewezen als enige mogelijke aanbieder. (Prorail is enige aanbieder van trein-
infrastructuur).
3. Monopolistische concurrentie
• Veel aanbieders & heterogeen product.
• Onderscheiden door: marketing.
• Doel: merkentrouw. • Voorbeeld: makelaar, auto’s.
4. Oligopolie (soms Duopolie)
• Enkele aanbieders of twee bij een duopolie.
• Homogene oligopolie als producten veel op elkaar lijken.
• Heterogene oligopolie als producten onderscheidend zijn.
• Kans op een prijzenoorlog om de gunst van de consument.
• Voorbeeld: banken, zorgverzekeraars, telecom.
Marktvorm oligopolie
• Gedragingen van oligopolisten:
• prijsstarheid • reactie-hypothese
• De oligopolisten zijn met weinig, men kent elkaar, dus prijs- en andere afspraken liggen voor de hand.
• Gevolg:
• Consument en / of overheid is de dupe • Oplossing:
• Waakhond: ACM