1. Wake et.al. (2007) – Preschooler Obesity and Parenting Styles of
Mothers and Fathers: Australian National Population Study
Doel: het bepalen van een relatie tussen BMI op de leeftijd van 4 en 5 jaar en de
opvoedingsgedrag en opvoedstijlen van moeders en vaders.
Proefpersonen en methode: 4983 4-5 jarigen. Moeders en vaders gaven zelf aan wat voor
opgvoedingsgedrag ze hadden (warmte/ondersteuning, controle, structuur). En ze werden
ingedeeld in 1 van de 4 opvoedingsstijlen (onverschillig, permissief, autoritair, autoritatief).
Er werd gekeken naar BMI met de moeder en vader apart, maar ook samen. Ook werd
rekening gehouden met het BMI van de ouders.
o Opvoedingsstijlen:
Onverschillig: lage mate van controle en structuur, lage mate van steun en
betrokkenheid.
Permissief: lage mate van controle en structuur, matige mate van steun en
hoge mate van betrokkenheid.
Autoritair: hoge mate van controle en structuur (strikte kaders), lage mate
van steun en matige mate van betrokkenheid.
Autoritatief: matige mate van controle en structuur (duidelijke kaders die
bespreekbaar zijn), hoge mate van steun en betrokkenheid.
Resultaten: het opvoedingsgedrag en de opvoedstijl van de moeder heeft geen invloed op
het BMI van het kind. Hogere scores van vaders op de ‘controle’ zorgde voor een kleinere
kans dat het kind een hoge BMI heeft. Kinderen van vaders met een permissieve en
onverschillige opvoedstijl hebben een hogere kans op een hoog BMI.
Conclusie: vaders, en niet de moeders opvoedingsstijl en -gedrag zijn bepalend voor het
hogere risico op overgewicht en obesitas bij hun kind.
2. Distelbrink & Pels (2012) – Pedagogische ondersteuning en de
spilfunctie van het CJG. Uitdagingen voor gemeenten en professionals
Doel: Nederlandse gemeenten hebben de taak ouders en jeugdigen te bereiken met
laagdrempelige opvoed- en opgroeisteun. Wat zijn de uitdagingen die ze daarbij
tegenkomen? Hoe ontwikkelt zich het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), dat hierin een
centrale rol dient te spreken? Drie verbeterpunten lijken cruciaal voor het functioneren van
het CJG, punten die in de praktijk echter ook dilemma’s opleveren: het ontwikkelen van een
visie op de pedagogische opdracht van het CJG, laagdrempelig werken en een structurele
samenwerking met het voorveld van mensen en organisaties die dichtbij de gezinnen en
jeugdigen staan. Juist door explicitering van en discussie over uitgangspunten kan het CJG
zijn spilfunctie beter waarmaken.
Maatschappelijke context: beleidscontext, toegenomen opvoedingsonzekerheid bij
professionele pedagogen, het multi-etnische karakter van de moderne (grootstedelijke)
samenleving en de vragen die dit met zich meebrengt voor professionals.
Methode: praktijkgericht onderzoek naar de ontwikkeling van het CJG in Amsterdam.
Bronnen: bevindingen uit de Amsterdamse Kenniswerkplaats Tienplus en een drietal
groepsdiscussies, uit 2009, met professionals, beleidsmakers en onderzoekers uit de
jeugdsector op conferenties en bijeenkomsten.