Week 1 – Van atomen tot macromoleculen
1. Wat zijn atomen, moleculen en ionen?
Atomen zijn de kleinste deeltjes waaruit moleculen zijn opgebouwd.
Kern: protonen (+) en neutronen (geen lading)
Wolk rond kern (in meerdere schillen): elektronen (-)
- In atomen geldt: aantal elektronen = aantal protonen (netto lading = 0)
- In ionen geldt: aantal elektronen ≠ aantal protonen (netto lading = positief of negatief)
Glucosemolecuul 1
Elektronen zorgen voor de binding tussen atomen; de atoombinding (streepjes in structuurformule).
Wanneer atomen aan elkaar binden met een atoombinding, vormen zich moleculen.
Atoomnummer = aantal protonen (= aantal elektronen in atoom)
Massagetal = aantal protonen + neutronen (massa protonen = massa neutronen)
2. Hoeveel bindingen kunnen de atomen C, H, O en N aangaan?
Elk atoom verschilt in het aantal mogelijke covalente bindingen met andere atomen:
- Koolstof C moet 4 bindingen aangaan
- Stikstof N moet 3 bindingen aangaan
- Zuurstof O moet 2 bindingen aangaan
- Waterstof H moet 1 binding aangaan
3. Welke macromoleculen bevinden zich in voedsel en uit welke atomen zijn deze
opgebouwd?
- Koolhydraten bevatten de atomen C, H en O
- Vetten bevatten de atomen C, H en O
- Eiwitten bevatten de atomen, C, H, N en O, soms ook S