Hoorcolleges Introductie Gedragswetenschappen
Week 1
2 visies:
- De samenleving bepaald hoe mensen denken, doen en zijn
- Individuen maken de samenleving
In de sociale wetenschappen zijn er twee manieren om te werk te gaan: (1): we weten dat
mensen soms irrationeel zijn, maar dat vergeten we even of (2): vanaf het begin uitgaan van
de complexiteit van mensen.
Het evolutionaire perspectief gaat ervan uit dat er altijd sprake is van genetische variatie. Dit
heeft consequenties: wanneer er aanpassing aan omstandigheden plaatsvindt is er meer
kans op overleven. Ook is er sprake van overerving. Variatie, verandering omgeving en
overerving zorgen dat soorten kunnen veranderen. Mensen ook uitvloeisel verandering.
Grote complexiteit van mensen bevindt zich in de neocortex: hier zitten grote denkprocessen
die ons in staat stellen om om te gaan met verschillende soorten.
Cultuur maakt deel uit van de menselijke natuur: het is de menselijke natuur om cultuur te
vormen. Geen biologisch of cultureel determinisme.
3 niveaus om seks te verklaren:
- Evolutionair biologisch: Seks om voort te planten
- Lichamelijk, fysiologisch: Nabije mechanisme uitleg
- Menselijke beleving en betekenisgeving: Seks is prettig
S-O-R model
S = Stimulus
O = Organisme
R = Reactie
Voorbeeld: wel of niet halen van een tentamen. Tentamen is zelf de Stimulus. Het Resultaat
is het wel of niet halen. Waar ligt het aan, Organisme? Motivatie, vaardigheden, persoonlijke
omstandigheden of persoonlijkheid.
Erfelijkheid is genetische informatie en genen. We kunnen erfelijkheid van de soort (Es) en
erfelijkheid van het individu (Ei): variatie tussen mensen.
Milieu is de omgeving waar mensen in leven, dit kan prenataal zijn: chemische stoffen,
hormonen (roken, alcohol) of postnataal zijn: opvoeding en leefomstandigheden.
Het MAO-gen reguleert boodschapperstoffen in je hersenen. Lage activiteit van dit gen
betekent dat je verhoogde kans op iets hebt.
Of ergerlijkheid tot uiting komt hangt af van de omgeving. Omgeving heeft vaak alleen effect
als een genetisch aanknopingspunt is. Of omgeving invloed heeft hangt af van verschillen in
gevoeligheid, aanleg en talent.
Omgeving kan ook invloed hebben op de genen. Er kan sprake zijn van genetische schade
in het DNA, bijvoorbeeld door straling of vergiftiging. Ook kan er sprake zijn van Epigenitca:
er is geen verandering in het DNA zelf, maar verandering in de aansturing van de genen.
Ernstig tekort of overvloed van voedsel heeft biologische effecten. Het lichaam stelt zich in
daarop en past zich aan door bepaalde genen aan of uit te zetten.
1
Week 1
2 visies:
- De samenleving bepaald hoe mensen denken, doen en zijn
- Individuen maken de samenleving
In de sociale wetenschappen zijn er twee manieren om te werk te gaan: (1): we weten dat
mensen soms irrationeel zijn, maar dat vergeten we even of (2): vanaf het begin uitgaan van
de complexiteit van mensen.
Het evolutionaire perspectief gaat ervan uit dat er altijd sprake is van genetische variatie. Dit
heeft consequenties: wanneer er aanpassing aan omstandigheden plaatsvindt is er meer
kans op overleven. Ook is er sprake van overerving. Variatie, verandering omgeving en
overerving zorgen dat soorten kunnen veranderen. Mensen ook uitvloeisel verandering.
Grote complexiteit van mensen bevindt zich in de neocortex: hier zitten grote denkprocessen
die ons in staat stellen om om te gaan met verschillende soorten.
Cultuur maakt deel uit van de menselijke natuur: het is de menselijke natuur om cultuur te
vormen. Geen biologisch of cultureel determinisme.
3 niveaus om seks te verklaren:
- Evolutionair biologisch: Seks om voort te planten
- Lichamelijk, fysiologisch: Nabije mechanisme uitleg
- Menselijke beleving en betekenisgeving: Seks is prettig
S-O-R model
S = Stimulus
O = Organisme
R = Reactie
Voorbeeld: wel of niet halen van een tentamen. Tentamen is zelf de Stimulus. Het Resultaat
is het wel of niet halen. Waar ligt het aan, Organisme? Motivatie, vaardigheden, persoonlijke
omstandigheden of persoonlijkheid.
Erfelijkheid is genetische informatie en genen. We kunnen erfelijkheid van de soort (Es) en
erfelijkheid van het individu (Ei): variatie tussen mensen.
Milieu is de omgeving waar mensen in leven, dit kan prenataal zijn: chemische stoffen,
hormonen (roken, alcohol) of postnataal zijn: opvoeding en leefomstandigheden.
Het MAO-gen reguleert boodschapperstoffen in je hersenen. Lage activiteit van dit gen
betekent dat je verhoogde kans op iets hebt.
Of ergerlijkheid tot uiting komt hangt af van de omgeving. Omgeving heeft vaak alleen effect
als een genetisch aanknopingspunt is. Of omgeving invloed heeft hangt af van verschillen in
gevoeligheid, aanleg en talent.
Omgeving kan ook invloed hebben op de genen. Er kan sprake zijn van genetische schade
in het DNA, bijvoorbeeld door straling of vergiftiging. Ook kan er sprake zijn van Epigenitca:
er is geen verandering in het DNA zelf, maar verandering in de aansturing van de genen.
Ernstig tekort of overvloed van voedsel heeft biologische effecten. Het lichaam stelt zich in
daarop en past zich aan door bepaalde genen aan of uit te zetten.
1