HOOFDSTUK 7, VORMINGS VRAAGSTUK: SAMENLEVINGSVORMEN
(paragraaf 1, vorming, verandering en institutionalisering)
institutionalisering: is het proces waarbij een complex van min of meer geformaliseerde
regels vastgelegd wordt in standaard gedragspatronen, die het gedrag van mensen en
hun onderlinge relaties reguleren.
passief kiesrecht (1917): voor vrouwen en mannen
actief kiesrecht (1917): alleen voor mannen
actief kiesrecht (1919): voor iedereen, de waarde gelijkheid tussen man en vrouw en
daarbij behorende geformaliseerde regels rondom het kiesrecht werden vastgelegd in
standaard gedragspatronen.
verzuilde samenleving: hield in dat de samenleving was opgedeeld in
levensbeschouwelijke en sociaal economische groepen
- katholieke
- protestantse
- socialistische
- liberale
gezinstype voor ‘jaren 60’
1. kostwinnersgezin/bevelshuishouding: vader zorgde voor inkomen en de kost
(eten)
2. traditionele rolpatronen (hiërarchie)
3. grote machtsafstand
4. gezin= belangrijkste socialisator (hoeksteen van samenleving)
na WOII groeit welvaart in nederland dor de marshallhulp uit USA. Nederland verzuild →
mensen mer geld + meer vrije tijd.
zorgt voor;
1. opkomst jongere culturen
- verzette zich tegen gezag (democratisering)
2. ruimte voor individu om te doen wat ie zelf wilt (individualisering)
- wordt in de hand gewerkt door individualisering (VZS) en rationalisering
(anticonceptie)
nadeel institutionalisering: Wanneer er iets negatiefs gebeurt, is het grote kans dat er
nieuwe regel wordt gemaakt
voordeel institutionalisering: het gedrag van mensen is voorspel ondanks je hij/zij niet
kent.
, (paragraaf 2, vorming, verandering en democratisering)
democratisering: is het proces van verandering van de machts- en gezagsverhoudingen
door een grotere inspraak en medezeggenschap van degenen met minder macht
- kan gekoppeld worden aan politiek, maar ook bredere betekenis.
nederland kent al lang een ontwikkelingsproces van democratisering
klassieke vrijheidsrechten; zoals vrijheid van meningsuiting, bescherming burgers tegen
onderdrukking door overheid
politieke grondrechten: kiesrecht en het recht om een politieke partij op te richten
sociale grondrechten: houdt in dat de overheid zorg moet dragen voor de
bestaanszekerheid van de bevolking door te zorgen voor woning, werk, zorg en
onderwijs voor iedereen.
gezinstype ‘jaren 60 tot 80’
1. onderhandelingshuishouden: kinderen kregen meer zeggenschap
2. taken in gezin zijn gelijker verdeeld
3. kleine machtsafstand
4. school & media worden belangrijkere socialisatie
veranderende rol socialisatoren
1. de peergroup: (vrienden) werd een sterkere socialisator
- doordat jongeren meer in groepen met elkaar omgingen werd de invloed op
elkaar vergroot.
- bijvoorbeeld; hippies (provo;s bijv) groep kreeg veel aandacht.
2. de media: door gebruik media worden mensen geconfronteerd met een veelheid
aan waarden en normen, ook van buiten nederland
3. onderwijs: kinderen brachten meer tijd door op school
- er werd meer van scholen verwacht,
- overdragen van kennis werd belangrijker
(paragraaf 3, vorming, verandering en individualisering)
individualisering: het proces waarbij individuen in toenemende mate hun
zelfstandigheid op verschillende gebieden kunnen vergroten.
- door proces van ontzuiling werd het individu steeds belangrijker
- verandering in waarden en gedrag werden vastgelegd in wetten
gezinstype 3, ‘jaren 80 en verder’
1. geïndividualiseerd gezin (zaken die belangrijk zijn voor hun zelf)
2. huishouden wordt uitbesteed; zodat je zelfontplooiing kan nastreven
3. kleine machtsafstand
4. ook sociale media wordt belangrijke socialisator
- ook steeds meer eenpersoonshuishoudens
de toename van economisch en cognitieve machtsbronnen van het individu zijn te
verklaren door het ontstaan van de verzorgingsstaat in nederland → er was meer geld
beschikbaar
(paragraaf 1, vorming, verandering en institutionalisering)
institutionalisering: is het proces waarbij een complex van min of meer geformaliseerde
regels vastgelegd wordt in standaard gedragspatronen, die het gedrag van mensen en
hun onderlinge relaties reguleren.
passief kiesrecht (1917): voor vrouwen en mannen
actief kiesrecht (1917): alleen voor mannen
actief kiesrecht (1919): voor iedereen, de waarde gelijkheid tussen man en vrouw en
daarbij behorende geformaliseerde regels rondom het kiesrecht werden vastgelegd in
standaard gedragspatronen.
verzuilde samenleving: hield in dat de samenleving was opgedeeld in
levensbeschouwelijke en sociaal economische groepen
- katholieke
- protestantse
- socialistische
- liberale
gezinstype voor ‘jaren 60’
1. kostwinnersgezin/bevelshuishouding: vader zorgde voor inkomen en de kost
(eten)
2. traditionele rolpatronen (hiërarchie)
3. grote machtsafstand
4. gezin= belangrijkste socialisator (hoeksteen van samenleving)
na WOII groeit welvaart in nederland dor de marshallhulp uit USA. Nederland verzuild →
mensen mer geld + meer vrije tijd.
zorgt voor;
1. opkomst jongere culturen
- verzette zich tegen gezag (democratisering)
2. ruimte voor individu om te doen wat ie zelf wilt (individualisering)
- wordt in de hand gewerkt door individualisering (VZS) en rationalisering
(anticonceptie)
nadeel institutionalisering: Wanneer er iets negatiefs gebeurt, is het grote kans dat er
nieuwe regel wordt gemaakt
voordeel institutionalisering: het gedrag van mensen is voorspel ondanks je hij/zij niet
kent.
, (paragraaf 2, vorming, verandering en democratisering)
democratisering: is het proces van verandering van de machts- en gezagsverhoudingen
door een grotere inspraak en medezeggenschap van degenen met minder macht
- kan gekoppeld worden aan politiek, maar ook bredere betekenis.
nederland kent al lang een ontwikkelingsproces van democratisering
klassieke vrijheidsrechten; zoals vrijheid van meningsuiting, bescherming burgers tegen
onderdrukking door overheid
politieke grondrechten: kiesrecht en het recht om een politieke partij op te richten
sociale grondrechten: houdt in dat de overheid zorg moet dragen voor de
bestaanszekerheid van de bevolking door te zorgen voor woning, werk, zorg en
onderwijs voor iedereen.
gezinstype ‘jaren 60 tot 80’
1. onderhandelingshuishouden: kinderen kregen meer zeggenschap
2. taken in gezin zijn gelijker verdeeld
3. kleine machtsafstand
4. school & media worden belangrijkere socialisatie
veranderende rol socialisatoren
1. de peergroup: (vrienden) werd een sterkere socialisator
- doordat jongeren meer in groepen met elkaar omgingen werd de invloed op
elkaar vergroot.
- bijvoorbeeld; hippies (provo;s bijv) groep kreeg veel aandacht.
2. de media: door gebruik media worden mensen geconfronteerd met een veelheid
aan waarden en normen, ook van buiten nederland
3. onderwijs: kinderen brachten meer tijd door op school
- er werd meer van scholen verwacht,
- overdragen van kennis werd belangrijker
(paragraaf 3, vorming, verandering en individualisering)
individualisering: het proces waarbij individuen in toenemende mate hun
zelfstandigheid op verschillende gebieden kunnen vergroten.
- door proces van ontzuiling werd het individu steeds belangrijker
- verandering in waarden en gedrag werden vastgelegd in wetten
gezinstype 3, ‘jaren 80 en verder’
1. geïndividualiseerd gezin (zaken die belangrijk zijn voor hun zelf)
2. huishouden wordt uitbesteed; zodat je zelfontplooiing kan nastreven
3. kleine machtsafstand
4. ook sociale media wordt belangrijke socialisator
- ook steeds meer eenpersoonshuishoudens
de toename van economisch en cognitieve machtsbronnen van het individu zijn te
verklaren door het ontstaan van de verzorgingsstaat in nederland → er was meer geld
beschikbaar