Kenmerken van wetenschap
Streven naar kennis. Deze kennis wordt uiteindelijk onder gebracht in een theorie.
o Theorie = samenhangend geheel van uitspraken over de werkelijkheid
Empirisch. Wetenschappelijke uitspraken dienen gefundeerd te zijn op empirische
uitspraken, uitspraken die teruggrijpen op de waarneming.
Systematische benadering. Er zijn een aantal regels die wetenschap scheiden van
pseudowetenschap = vakgebieden die de pretentie hebben wel wetenschappelijke
standaarden na te streven, maar toch tekortschieten in het gebruik van systematische
methoden om wetenschappelijk te mogen heten.
De sociale wetenschappen bestuderen en onderzoeken het doen en laten van mensen,
aangeduid met handelen of gedrag.
Gedragswetenschappers houden zich bezig met het individuele gedrag en met
factoren die dit gedrag beïnvloeden, zowel factoren in de mens zelf als in de sociale
omgeving.
Maatschappijwetenschappers bestuderen vooral sociaal gedrag, dat wil zeggen
gedrag van mensen in groepen en samenlevingen.
Wetenschappelijke paradigma = een door een groep wetenschappers gedeelde opvatting
over wat wetenschap is, waar een wetenschappelijke theorie aan moet voldoen en op welke
manier wetenschap bedreven dient te worden. De manieren waarop wetenschappers
onderzoeken aanpakken, wordt deels bepaald door het beeld dat zij hebben van de sociale
werkelijkheid.
Ontologie = ‘zijnsleer’ of ‘studie van de dingen die bestaan’, het houdt zich bezig met
vragen als ‘hoe is de sociale werkelijkheid opgebouwd?’. De ontologische
opvattingen van onderzoekers beïnvloeden de manier waarop zij als wetenschappers
onderzoek doen.
Epistemologie = kennisleer, houdt zich bezig met de vraag hoe we kennis over de
werkelijkheid kunnen opdoen.
Empirisch-analytische benadering = opvatting over wetenschap die hoofdzakelijk is ontleend
aan de natuurwetenschappen. Binnen dit paradigma kiezen onderzoekers voor een
methodologie die zich spiegelt aan de natuurwetenschappelijk benadering. Belangrijke
uitgangspunten zijn herhaalbaarheid van het onderzoek en controleerbaarheid van de
omstandigheden waaronder het onderzoek wordt uitgevoerd.
Positivisme = gaat uit van een positieve ontwikkeling in de wetenschap: deze wordt
gaandeweg ontdaan van theologische, speculatieve en normatieve opvattingen en
steeds meer gebaseerd op feiten waarvan de juistheid kan worden nagegaan.
Empirisme = gaat ervan uit dat alle wetenschappelijke kennis gebaseerd moet zijn op
gedane observaties ofwel waarnemingen.
In de jaren twintig en dertig van de 20e eeuw: in het logisch-positivisme en logisch-
empirisme worden waarnemingen vertaald naar een reeks van logisch
samenhangende, heldere en consistente uitspraken. Dit is dan ook de betekenis van
het woord analytisch = analytische uitspraken hebben een logische opbouw en de
betekenis van de afzonderlijke begrippen is goed gedefinieerd.
Nomothetische kennis = kennis waarin wetten geformuleerd worden.
Variabelen = kenmerken waarop eenheden kunnen verschillen.
Reductonisch = eenheden (bijvoorbeeld individuen) worden teruggebracht
(gereduceerd) tot waarden op een aantal variabelen.
Waardenvrij = persoonlijke voorkeuren, normen en waarden spelen geen rol in een
studie.
Derdepersoonsperspectief = de onderzoekers kijken en observeren, maar zij
participeren niet in het onderzoek.