Je kent de kenmerken van instructie aan anderstalige kinderen (2%)
De aandachtspunten:
A. Pas je taalgebruik aan: (dat kan op de volgende manieren):
- spreek langzamer
- ga niet harder prater
- leg extra nadruk op kernwoorden
- hanteer eenvoudige (niet samengestelde) zinnen
- laat herhalen wat er gezegd wordt
- geef het onderwerp van je instructie aan
- vereenvoudig je woordkeus
B. Controleer steeds of NT2-leerlingen je instructie kunnen volgen: (NT2-leerlingen hebben
vaak moeite met schriftelijk taalgebruik. Vooral de volgende elementen zijn problematisch
voor deze kinderen):
- minder frequente woorden (bijv. polsslag, verafschuwen)
- schrijftaalwoorden (bijv. enigszins, nochtans, naarmate)
- abstracte woorden (bijv. oorzaak, ontstaan, ervaring)
- homoniemen (schaal, stand, maat)
- figuurlijk taalgebruik (in slaap vallen, zijn neus stoten)
- idioom (bijv. een streep door de rekening, iets van de grond krijgen)
(geef waar nodig aanvullende mondelinge instructie. Vraag door als je vermoedt dat
kinderen iets niet begrijpen.)
C. Pas de leertijd aan: (NT2-leerlingen hebben tijd nodig om te wennen aan de taal en om het
eigen te maken)
D. Vereenvoudig de leerinhoud
E. Zorg voor een duidelijke context bij je instructie (NT2-leerlingen begrijpen de taal dan beter.
Voorbeelden zijn):
- afbeelding
- verhaal
- situatie
F. Geef preteaching: (Je bereidt zwakke leerlingen voor op de leerstof, zodat ze beter in staat
zijn de les te volgen als die in de klas aan de orde komt. Je geeft in feite zwakke leerlingen
extra instructie en als bepaalde stof in de hele groep behandeld wordt kun je die kinderen
het gevoel geven dat ze er al een beetje greep op hebben. Je zult bij preteaching vaak
aandacht geven aan het aanleren van nieuwe woorden, omdat de zwakke leerlingen anders
een les niet kunnen volgen)
Je kunt aangeven wat een uitdagende leeromgeving is als het gaat om het vak taal op de
basisschool (4%)
Een rijke/uitdagende leeromgeving voor taalonderwijs wordt bepaald door:
- Een goed taalgedrag van de leerkracht:
(Als leerkracht ben je een
identificatiefiguur voor de kinderen. De
manier waarop jij met taal omgaat en hoe
je formuleert/communiceert is een
voorbeeld voor de kinderen).
De taalvaardigheden van de leerkracht
basisonderwijs: