Hoofdstuk 1: Vraag en aanbod
Voor het vervullen van menselijke behoeften zijn middelen nodig, deze kunnen zijn:
- Goederen (tastbaar)
- Diensten (niet tastbaar)
- Geld (ruilmiddel)
Keuzeprobleem: om in één behoefte te voorzien, moet je de andere behoefte (tijdelijk)
opgeven
Economisch handelen: voorzien in behoeften met behulp van zo weinig mogelijk schaarse middelen
Welzijn: (6) de mate waarin mensen in ál hun behoeften kunnen voorzien
Welvaart: de mate waarin mensen kunnen voorzien in hun behoeften met behulp van
schaarse middelen
Het maken van schaarse goederen en diensten heet produceren, het kopen van diensten en
goederen heet consumeren.
Schaarste vertaalt zich in de prijs
- Komen tot stand door samenspel van vraag en aanbod
- Lage prijzen leiden tot veel vraag, hoge prijzen tot minder vraag (vraagcurve is een dalende
lijn)
- Lage prijzen leiden tot weinig aanbod, hoge prijzen tot meer aanbod (aanbodcurve in een
stijgende lijn)
Hoeveelheid
= Vraag
= Aanbod
0
Prijs
- Bij een vaststaand aanbod leidt een grotere vraag tot een hogere prijs
- Bij een vaststaande vraag leidt een groter aanbod tot een lagere prijs
Soorten goederen:
- Vrij goed (3-4) > niemand hoeft er moeite voor te doen
- Schaars goed > om hieraan te komen moet je iets opgeven
- Gebruiksgoederen (9) > gaan lang mee, hoeven niet vaak gekocht te worden
- Verbruiksgoederen > snel op, wordt vaak gekocht
- Complementair goed > hoort in gebruik bij een ander goed
- Substitutiegoed > kan een ander goed vervangen omdat het in dezelfde
behoefte voorziet
- Gemaksgoederen (10) > klant wil weinig moeite doen voor de aankoop
- Shopping goods > klant wil meer moeite doen