ETHIEK
WC 1
Ethiek kijkt naar hoe jij beslist of iets goed/fout is, hoe beargumenteer je dat? Op grond van
welke criteria vind je iets goed/fout? Ethiek geeft kaders/richtlijnen voor wat je moet doen bij
een dilemma. Zonder ethiek ben je teruggeworpen op jezelf, je gevoel of je onbewuste,
ethiek geeft dénkkaders. Ook krijg je meer mensenkennis door de theorieën.
Er zijn drie types argumentatie die mensen in vaak onbewust hanteren:
1. Je eigen intuïtie
2. Gevolgen ethiek
3. Beginselen ethiek
4. Deugdenethiek
De moraal is het geheel van waarden en normen waarmee mensen uitdrukken wat ze goed
of slecht vinden. Morele waarden zijn abstracte idealen/doelen die in het algemeen
nagestreefd moeten worden om een goed leven te leiden of een goede maatschappij te
realiseren. Voorbeelden: rechtvaardigheid, verkeersveiligheid, vrijheid van meningsuiting,
gezondheid. Kernwaardes van bedrijven staan in een mission statement. Voorbeelden:
vertrouwen, integriteit. Waardes omschrijf je in een zelfstandig naamwoord, ooit als activiteit.
Morele normen zijn concrete (gedrags)regels waarmee de waarden gerealiseerd kunnen
worden. Normen zijn dus regels om tot goed handelen te komen. Voorbeelden:
rechtvaardigheid nivelleringsmaatregelen, verkeersveiligheid verkeersregels maken,
vertrouwen afspraken nakomen met externen en elkaar.
Morele deugden zijn karaktereigenschappen die iemand tot een goed mens bestempelen.
Voorbeelden: moed, humor, eerlijkheid.
Bij een moreel dilemma gaat het om een toestand waarin je moet kiezen tussen twee of
meerdere botsende waarden.
In een probleemanalyse benoem je de feiten, betrokkenen en hun belangen en de waarden
van alle betrokkenen. In de morele probleemstelling komt naar voren wie de
probleemeigenaar (degene die moet kiezen) is en wat zijn of haar probleem is? dus, wat is
zijn morele dilemma en welke waarden botsen?
WC 2: Gastcollege (ging niet door)
WC 3 en 4: Utilisme
Hoe moet je een casus aanpakken?
1. Probleemanalyse, hierin benoem je:
De feiten
Betrokkenen en hun belangen
De waarden van alle betrokkenen
2. Morele probleemstelling, hierin moet naar voren komen:
Wie is de probleemeigenaar? – degene die moet kiezen / iets moet doen
Wat is het probleem van de probleemeigenaar? – je staat voor een keuze
- m.a.w. wat is zijn morele dilemma?
- m.a.w. welke waarden van de probleemeigenaar botsen?
3. Handelingsmogelijkheden van de probleemeigenaar
1