Ieder kind hecht zich tijdens zijn eerste levensjaar maar niet ieder kind kan zich veilig hechten. Onder
erbarmelijke omstandigheden hechten kinderen zich aan volwassenen, zelfs als die hen ernstig
verwaarlozen of mishandelen. Dit wordt ondersteund door empirisch onderzoek.
Pasgeboren baby’s hechten zich nog niet, het maakt voor de baby’s niet uit wie hen verzorgt. In de
eerste weken en maanden zijn deze personen nog inwisselbaar. Wel zijn ze meer gericht op mensen
dan dingen omdat mensen hen kunnen beschermen en voedsel kunnen brengen.
Het is wel belangrijk hoe er voor de baby gezorgd wordt vanaf de geboorte. Dit is namelijk het
voorwerk voor de latere gehechtheidsrelatie. Wanneer de afstemming niet in harmonie plaatsvindt
(of ontbreekt) kunnen de signalen van het kind vervormd raken of verstommen. (de baby huilt niet
meer als het nooit getroost wordt, kinderen worden passief als er niet op ze wordt gereageerd)
Rond de zes maanden krijgt de baby een voorkeur voor een van de ouders. Het wilt in de nabijheid
van ouders blijven, ze lijken eenkennig en laten scheidingsangst zien. Als kinderen vier of vijf jaar zijn
kunnen ze korte scheidingen beter overzien en eventueel over onderhandelen met ouders.
Het kind wilt voeling houden met de veilige basis die de ouder biedt secure base , deze biedt een
toevluchtshaven om terug te gaan in geval van nood.
Veilig gehecht, zoeken contact of lichamelijke nabijheid als ze na korte scheiding weer herenigd
worden met ouders. Ze kunnen ongerust zijn door de scheiding maar bij terugkeer kunnen ze
gerustgesteld worden en hun spel weer opvatten na een tijdje.
Onveilig gehecht, hebben meer moeite met het vinden van balans tussen gerustgesteld worden en
weer willen gaan spelen.
Onveilig vermijdend, hebben weinig geruststelling nodig in spannende situaties en negeert of vermijd
ouder, het lijkt de spanning te onderdrukken ten koste van zichzelf. Kind heeft ondervonden dat
ouder niet inging op negatieve emoties en gaat er van uit dat het niet bij ouder terecht kan met hun
negatieve emoties.
Onveilig ambivalent, zijn gericht op krijgen van geruststelling en hebben moeite met exploreren.
Vragen veel aandacht en kunnen niet echt gerustgesteld worden na scheiding, ze geven stress vrij
baan. Kind ondervond dat ouders wisselend beschikbaar waren en als ze beschikbaar waren veel
voor te doen of te onderbreken. Hierdoor heeft het kind het idee dat het niks zonder de ouder kan.
Onveilig gedesorganiseerd, kort en subtiel gedrag dat niet bij hun gehechtheidsgedrag past.
Tegenstrijdig gedrag zoals hard huilen tijdens scheiding maar ophouden als ouder terug komt en van
hen afweren. Of angstig gedrag zoals verstarren als ouder in zicht komt. Ouder laat (subtiele)
signalen van angstig gedrag zien in bijvoorbeeld verandering van stem in de omgang met het kind. Dit
komt vooral voor bij ouders die trauma’s of persoonlijke verliezen niet goed hebben verwerkt.
Interne werkmodel, door de gehechtheid bouwt het kind een mentaal beeld van mensen in het
algemeen op (bij veilig, beschikbaar en hulpvaardig, bij onveilig ontoegankelijk en afwijzing). Dus
verwachtingen over anderen en het kind (vertrouwen in anderen gaat samen met zelfvertrouwen).
Het gaat bij gehechtheid niet om nature maar om nurture! Het is dus niet genetisch.
Gehechtheid is niet een kenmerk van een kind, een kind kan veilig gehecht zijn aan een ouder en
onveilig gehecht zijn aan een andere ouder.
Kinderen die tenminste één veilige band hebben met een ouderfiguur ontwikkelen zich beter.