College 1
Aan de hand van de Discobolos, 450 v. Chr. Het hoofdstuk vertellen.
Hoofdstuk 1
Geen vaste definitie van kunst. Geen ‘kunst’ maar vaak met een functie, religieus
of magisch iets. Een afbeelding was iets werkelijks, je hebt een duidelijke
associatie met iets uit de werkelijkheid bij een plaatje, het voodoo idee.
Grottekeningen; met een speer op de tekeningen van een bizon of paard gooien,
wat geluk zou brengen bij de jacht o.i.d. (weten we ook niet zeker).
Hoofdstuk 2
Overeenkomsten met de ‘kunst’ uit hoofdstuk 1; vaak religieus, ook
muurschilderingen, en vanuit het geheugen en niet vanuit observatie.
Karakteristieken van Egyptische kunst; alles zo duidelijk en herkenbaar mogelijk
weergeven, ze kiezen het meest karakteristieke aanzicht van het af te beelden
voorwerp. Bij mensen zo volledig mogelijk; twee armen en benen (hiernamaals),
heel gereguleerd, volgens het boekje, een heel strakke traditie. Belangrijkste
delen van de afbeelding het grootst afbeelden.
Stijl: het schema of de set regels waarbinnen bepaalde mensen in een bepaald
gebied in een bepaalde tijd zich bewegen. Definitie overigens niet keihard.
Mesopotamische kunst minder bekend: geen stenen monumenten, hadden een
ander geloof dus maakten minder beelden en dingen voor de eeuwigheid.
Vragen hoofdstuk 3
1. Lees globaal "het verhaal van de kunst" door in dit werk boek (pag.18) Wat
is in vergelijking met primitieve, Egyptische en Mesopotamische kunst het
meest kenmerkende element van "the Greek revolution"? Wat geeft
Gombrich als redenen voor het ontstaan van die "revolution"?
Egyptische kunstenaren baseerden hun werken op kennis, de Grieken op wat ze
zagen. Lang hebben kunstenaren hun voorvaderen geïmiteerd, maar de Grieken
gaven er hun eigen draai aan. Ze wilden weten hoe ze dingen konden weergeven
zoals zij het wilden. ‘illusionisme’, dingen zo echt mogelijk.
2. Gombrich onderscheidt globaal drie fasen in de ontwikkeling van de Griekse
kunst. Welke?
Eerst werden door observatie natuurlijke vormen ontdekt, toen werd er
perspectief weergegeven (voor het eerst op een vaas uit 500 v. Chr.) en daarna
werd anatomie belangrijker. Konden ook de ‘workings of the soul’ gaan
weergeven door de afbeeldingen realistisch te maken. Gevoel aan een afbeelding
geven.
3. Waarop berust onze kennis van de Griekse schilderkunst? En de
beeldhouwkunst?
Respectievelijk op verhalen van Griekse schrijvers en op Romeinse
imitatiewerken van steen en marmer.
4. Wat was de maatschappelijke positie van de kunstenaar in de oudheid? Zie
ook "de wereld van de kunst en de kunstenaars" in dit werkboek.