© 2009 Noordhoff Uitgevers bv © 2009 Noordhoff Uitgevers bv
d intrinsieke waarde gelijk is aan de nominale waarde.
Hoofdstuk 17 par. 17.2
Aanbod van geld 17.8 Wederzijdse schuldaanvaarding leidt tot een verandering in de volgende posten bij
een bank (+ = toename; – = afname):
a kas +; rekening-couranttegoed +
b debiteuren +; rekening-couranttegoed –
c debiteuren +; rekening-couranttegoed +
par. 17.1 d kas –, debiteuren –
17.1 Het gebruik van geld verhoogt de welvaart in een economie omdat:
a de arbeidsproductiviteit erdoor toeneemt; par. 17.2
b goederen op geld kunnen worden gewaardeerd; 17.9 Wederzijdse schuldaanvaarding leidt tot:
c het bezit van geld de welvaart meer verhoogt dan het bezit van goederen; a een stijging van de liquiditeit en de solvabiliteit van een bank
d er productiemiddelen mee gekocht kan worden; b een stijging van de liquiditeit en een daling van de solvabiliteit van een bank
c een daling van de liquiditeit en een stijging van de solvabiliteit van een bank
par. 17.1 d een daling van de liquiditeit en de solvabiliteit van een bank
17.2 Geld heeft verschillende functies. Door de functie van rekeneenheid:
a wordt de ruil gesplitst in twee delen; par. 17.3
b wordt sparen mogelijk; De vragen 17.10 en 17.11 hebben betrekking op de volgende balansen van de
c vermindert het aantal prijzen in de economie; geldscheppende instellingen in een land.
d wordt geld ongedifferentieerde koopkracht.
Balans centrale bank
par. 17.1 Goud en deviezen 200 Bankbiljetten in omloop 300
17.3 Geld heeft verschillende functies. Door de functie van ruilmiddel: Leningen aan banken 200 Tegoeden banken 100
a is het mogelijk de goederenruil te splitsen in twee delen;
b wordt sparen mogelijk;
c vermindert het aantal prijzen in de economie; Balans
d is geld een waardemaatstaf. Kas 100 Eigen vermogen 200
Tegoed bij de centrale 200 Tegoeden in rekening- 400
par. 17.1 bank courant
17.4 Door inflatie wordt de functie van geld als ruilmiddel aangetast, omdat Kredieten 750 Kort spaargeld 160
a planning moeilijker wordt; Korte termijndeposito’s 40
b er geen tijdsverschil meer tussen de verkoop van het ene goed en de aankoop van Lang spaargeld 150
het andere goed kan liggen;
c inflatie zichzelf versterkt;
d de prijsstijgingen de loonstijgingen niet meer bij kunnen houden.
Verder is nog gegeven dat de overheid 100 aan munten in omloop heeft gebracht.
par. 17.1
17.5 Inflatie tast de functies van het geld aan waardoor: par. 17.3
a de waarde van het geld daalt; 17.10 De primaire liquiditeitenmassa bedraagt:
b geld geen rol meer speelt in het economisch proces; a 500
c de overheid het geld uit de markt moet nemen; b 600
d de kosten van het ruilverkeer toenemen. c 700
d 800
par. 17.2
17.6 Chartaal geld kan zijn functie als ruimiddel alleen goed vervullen als (kies het onjuiste par. 17.3
alternatief): 17.11 De secundaire liquiditeitenmassa bedraagt:
a het algemeen begeerd is a 200
b het een duurzame kwaliteit heeft b 350
c het in betrekkelijk kleine hoeveelheden een hoge waarde vertegenwoordigt c 550
d de intrinsieke waarde gelijk is aan de nominale waarde d 750
par. 17.2 par. 17.3
17.7 Voor een bankbiljet van 500 euro geldt dat de: 17.12 Welke van de onderstaande alternatieven is geen onderdeel van de maatschappelijke
a intrinsieke waarde groter is dan de nominale waarde geldhoeveelheid (M1)?
b intrinsieke waarde gelijk is aan 500 euro a een bankbiljet in de kassa van een supermarkt
c nominale waarde gelijk is aan 500 euro; b een credit card van een klant van een bank
A l g e m e n e e c o n o m i e e n b e d r i j f s o m g e v i n g – M e e r k e u ze v r a g e n 48 A l g e m e n e e c o n o m i e e n b e d r i j f s o m g e v i n g – M e e r k e u ze v r a g e n 49
© 2009 Noordhoff Uitgevers bv © 2009 Noordhoff Uitgevers bv
c een rekening couranttegoed van een bedrijf b de creditrente stijgt en de debetrente daalt
d een bankbiljet dat een klant zojuist uit een giromaat heeft ontvangen c de debetrente stijgt en de creditrente daalt
d de credit- en de debetrente beide dalen.
par. 17.3
17.13 Het verschil tussen M1 en M3 bestaat uit:
a de bankbiljetten en munten in de kassen van de monetaire financiële instellingen;
b het giraal geld in handen van het publiek;
c de vorderingen van het publiek op de monetaire financiële instellingen die snel,
massaal en zonder koersverlies kunnen worden omgezet in geld;
d de vorderingen van het publiek op de monetaire financiële instellingen waarmee
betalingen kunnen worden verricht.
par. 17.3
17.14 Iemand koopt een auto van € 25.000. Zij financiert de aanschaf door €10.000 van een
kortlopende spaarrekening af te halen en €5.000 van een langlopende spaarrekening.
De rest van het bedrag ontvangt zij in de vorm van een schenking van haar moeder.
Deze activiteiten deden de primaire, respectievelijk de secundaire liquiditeitenmassa:
a toenemen met €15.000; niet veranderen;
b toenemen met €25.000; afnemen met €10.000;
c toenemen met €15.000; afnemen met €10.000;
d toenemen met €15.000; afnemen met €15.000.
par. 17.3
17.15 De Europese Centrale Bank baseert het monetair beleid op de ontwikkeling van:
a de bankbiljetten en munten in omloop;
b het girale geld;
c M1;
d M3.
par. 17.4
17.16 Een geldscheppende bank is te onderscheiden van een niet-geldscheppende bank
door de volgende post op de bankbalans:
a crediteuren in rekening courant
b debiteuren
c kort spaargeld
d lang spaargeld
par. 17.4
17.17 De liquiditeit van een bank wordt groter als
a klanten bankbiljetten opnemen ten laste van hun betaalrekening
b klanten geld overboeken van een kortlopende spaarrekening naar een langlopende
spaarrekening
c de bank een betaling verricht aan de centrale bank
d klanten geld overboeken van hun betaalrekening naar een kortlopende
spaarrekening
par. 17.4
17.18 De solvabiliteit van een bank wordt groter als
a zij een deel van de winst aan de reserves toevoegt
b klanten geld overboeken van een kortlopende spaarrekening naar een langlopende
spaarrekening
c de bank een betaling verricht aan de centrale bank
d de klanten geld overboeken van hun betaalrekening naar een kortlopende
spaarrekening
par. 17.4
17.19 De rentabiliteit van een bank neemt – bij ongewijzigde kredietverlening - toe als:
a de credit- en debetrente beide stijgen
A l g e m e n e e c o n o m i e e n b e d r i j f s o m g e v i n g – M e e r k e u ze v r a g e n 50 A l g e m e n e e c o n o m i e e n b e d r i j f s o m g e v i n g – M e e r k e u ze v r a g e n 51
d intrinsieke waarde gelijk is aan de nominale waarde.
Hoofdstuk 17 par. 17.2
Aanbod van geld 17.8 Wederzijdse schuldaanvaarding leidt tot een verandering in de volgende posten bij
een bank (+ = toename; – = afname):
a kas +; rekening-couranttegoed +
b debiteuren +; rekening-couranttegoed –
c debiteuren +; rekening-couranttegoed +
par. 17.1 d kas –, debiteuren –
17.1 Het gebruik van geld verhoogt de welvaart in een economie omdat:
a de arbeidsproductiviteit erdoor toeneemt; par. 17.2
b goederen op geld kunnen worden gewaardeerd; 17.9 Wederzijdse schuldaanvaarding leidt tot:
c het bezit van geld de welvaart meer verhoogt dan het bezit van goederen; a een stijging van de liquiditeit en de solvabiliteit van een bank
d er productiemiddelen mee gekocht kan worden; b een stijging van de liquiditeit en een daling van de solvabiliteit van een bank
c een daling van de liquiditeit en een stijging van de solvabiliteit van een bank
par. 17.1 d een daling van de liquiditeit en de solvabiliteit van een bank
17.2 Geld heeft verschillende functies. Door de functie van rekeneenheid:
a wordt de ruil gesplitst in twee delen; par. 17.3
b wordt sparen mogelijk; De vragen 17.10 en 17.11 hebben betrekking op de volgende balansen van de
c vermindert het aantal prijzen in de economie; geldscheppende instellingen in een land.
d wordt geld ongedifferentieerde koopkracht.
Balans centrale bank
par. 17.1 Goud en deviezen 200 Bankbiljetten in omloop 300
17.3 Geld heeft verschillende functies. Door de functie van ruilmiddel: Leningen aan banken 200 Tegoeden banken 100
a is het mogelijk de goederenruil te splitsen in twee delen;
b wordt sparen mogelijk;
c vermindert het aantal prijzen in de economie; Balans
d is geld een waardemaatstaf. Kas 100 Eigen vermogen 200
Tegoed bij de centrale 200 Tegoeden in rekening- 400
par. 17.1 bank courant
17.4 Door inflatie wordt de functie van geld als ruilmiddel aangetast, omdat Kredieten 750 Kort spaargeld 160
a planning moeilijker wordt; Korte termijndeposito’s 40
b er geen tijdsverschil meer tussen de verkoop van het ene goed en de aankoop van Lang spaargeld 150
het andere goed kan liggen;
c inflatie zichzelf versterkt;
d de prijsstijgingen de loonstijgingen niet meer bij kunnen houden.
Verder is nog gegeven dat de overheid 100 aan munten in omloop heeft gebracht.
par. 17.1
17.5 Inflatie tast de functies van het geld aan waardoor: par. 17.3
a de waarde van het geld daalt; 17.10 De primaire liquiditeitenmassa bedraagt:
b geld geen rol meer speelt in het economisch proces; a 500
c de overheid het geld uit de markt moet nemen; b 600
d de kosten van het ruilverkeer toenemen. c 700
d 800
par. 17.2
17.6 Chartaal geld kan zijn functie als ruimiddel alleen goed vervullen als (kies het onjuiste par. 17.3
alternatief): 17.11 De secundaire liquiditeitenmassa bedraagt:
a het algemeen begeerd is a 200
b het een duurzame kwaliteit heeft b 350
c het in betrekkelijk kleine hoeveelheden een hoge waarde vertegenwoordigt c 550
d de intrinsieke waarde gelijk is aan de nominale waarde d 750
par. 17.2 par. 17.3
17.7 Voor een bankbiljet van 500 euro geldt dat de: 17.12 Welke van de onderstaande alternatieven is geen onderdeel van de maatschappelijke
a intrinsieke waarde groter is dan de nominale waarde geldhoeveelheid (M1)?
b intrinsieke waarde gelijk is aan 500 euro a een bankbiljet in de kassa van een supermarkt
c nominale waarde gelijk is aan 500 euro; b een credit card van een klant van een bank
A l g e m e n e e c o n o m i e e n b e d r i j f s o m g e v i n g – M e e r k e u ze v r a g e n 48 A l g e m e n e e c o n o m i e e n b e d r i j f s o m g e v i n g – M e e r k e u ze v r a g e n 49
© 2009 Noordhoff Uitgevers bv © 2009 Noordhoff Uitgevers bv
c een rekening couranttegoed van een bedrijf b de creditrente stijgt en de debetrente daalt
d een bankbiljet dat een klant zojuist uit een giromaat heeft ontvangen c de debetrente stijgt en de creditrente daalt
d de credit- en de debetrente beide dalen.
par. 17.3
17.13 Het verschil tussen M1 en M3 bestaat uit:
a de bankbiljetten en munten in de kassen van de monetaire financiële instellingen;
b het giraal geld in handen van het publiek;
c de vorderingen van het publiek op de monetaire financiële instellingen die snel,
massaal en zonder koersverlies kunnen worden omgezet in geld;
d de vorderingen van het publiek op de monetaire financiële instellingen waarmee
betalingen kunnen worden verricht.
par. 17.3
17.14 Iemand koopt een auto van € 25.000. Zij financiert de aanschaf door €10.000 van een
kortlopende spaarrekening af te halen en €5.000 van een langlopende spaarrekening.
De rest van het bedrag ontvangt zij in de vorm van een schenking van haar moeder.
Deze activiteiten deden de primaire, respectievelijk de secundaire liquiditeitenmassa:
a toenemen met €15.000; niet veranderen;
b toenemen met €25.000; afnemen met €10.000;
c toenemen met €15.000; afnemen met €10.000;
d toenemen met €15.000; afnemen met €15.000.
par. 17.3
17.15 De Europese Centrale Bank baseert het monetair beleid op de ontwikkeling van:
a de bankbiljetten en munten in omloop;
b het girale geld;
c M1;
d M3.
par. 17.4
17.16 Een geldscheppende bank is te onderscheiden van een niet-geldscheppende bank
door de volgende post op de bankbalans:
a crediteuren in rekening courant
b debiteuren
c kort spaargeld
d lang spaargeld
par. 17.4
17.17 De liquiditeit van een bank wordt groter als
a klanten bankbiljetten opnemen ten laste van hun betaalrekening
b klanten geld overboeken van een kortlopende spaarrekening naar een langlopende
spaarrekening
c de bank een betaling verricht aan de centrale bank
d klanten geld overboeken van hun betaalrekening naar een kortlopende
spaarrekening
par. 17.4
17.18 De solvabiliteit van een bank wordt groter als
a zij een deel van de winst aan de reserves toevoegt
b klanten geld overboeken van een kortlopende spaarrekening naar een langlopende
spaarrekening
c de bank een betaling verricht aan de centrale bank
d de klanten geld overboeken van hun betaalrekening naar een kortlopende
spaarrekening
par. 17.4
17.19 De rentabiliteit van een bank neemt – bij ongewijzigde kredietverlening - toe als:
a de credit- en debetrente beide stijgen
A l g e m e n e e c o n o m i e e n b e d r i j f s o m g e v i n g – M e e r k e u ze v r a g e n 50 A l g e m e n e e c o n o m i e e n b e d r i j f s o m g e v i n g – M e e r k e u ze v r a g e n 51