Basisstof 1
Drie domeinen
- Bacteriën prokaryoten (geen organellen)
- Archaea
- Eukaryoten
rijken
- Schimmels
- Planten
- Dieren
Indelingscriteria = celtype, aantal cellen, wel/geen celwand en voedingswijze.
Organel = deel van een cel met eigen functie.
Organische stoffen = afkomstig van organismen of van producten van organismen.
Anorganische stoffen = komen in organismen of in de levenloze natuur voor.
Autotroof = zelf voedend. Organismen nemen uit hun omgeving alleen maar anorganische
stoffen op.
Heterotroof = een ander nodig hebben voor voedsel.
Rijken worden onderverdeeld in stammen klassen orden families
geslachten soorten
Taxa/taxon = de indelingsgroepen op verschillende niveaus.
Organismen zijn van dezelfde soort als ze zich kunnen voortplanten en vruchtbare
nakomelingen krijgen.
Populatie = groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied.
Binaire naamgeving = wetenschappelijke naam voor soorten met geslacht (Homo) en
soortnaam (Sapiens).
Basisstof 2
Plasmiden = kleine kringvormige chromosomen. Doordat deze chromosomen los in het
cytoplasma liggen, zijn ze gemakkelijk bereikbaar voor enzymen.
Optimaliseren = zo gunstig mogelijk maken.
Recombinatie-DNA-techniek = techniek waarbij delen van het DNA verschillende
organismen bij elkaar gebracht kunnen worden.
Bacteriën planten zich (meestal) voort door deling.
Pathogene bacteriën = veroorzaken ziektes omdat ze te snel delen voor de mens, zo is het
afweersysteem soms niet in staat alle bacteriën tijdig onschadelijk maken.
Cyanobacteriën = aparte groep die chlorofyl en blauwe pigmenten bevatten.