Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Uitgebreide samenvatting 'Grondtrekken van het Nederlandse Strafrecht' hoofdstuk 1 t/m 16

Beoordeling
4.1
(90)
Verkocht
301
Pagina's
51
Geüpload op
24-11-2016
Geschreven in
2016/2017

Dit bestand bevat een uitgebreide samenvatting van de zesde druk van 'Grondtrekken van het Nederlandse Strafrecht' van het vak Beginselen Strafrecht. Het boek is per hoofdstuk, paragraaf en subparagraaf samengevat analoog aan het boek. Hierdoor kun je zelf makkelijk een onderdeel opzoeken in het boek dat je nog niet helemaal begrijpt of waarover je meer wilt lezen. De samenvatting bevat de belangrijkste onderdelen van ieder hoofdstuk die bondig maar volledig zijn verwerkt. Tip: leer niet het document uit je hoofd maar zoek tijdens het lezen de artikelen op in je wettenbundel en probeer te begrijpen wat er staat en aan welke eisen moet worden voldaan. Dit bespaart je een hoop tijd.

Meer zien Lees minder
Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht

Hoofdstuk 1
Inleiding

1.2 Plaats van het Strafrecht
Het strafrecht houdt zich bezig met het bestraffen van personen die een strafbaar feit hebben
gepleegd. Dit geschiedt door de overheid die een monopolie op straffen heeft. De officier van
justitie heeft als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie het alleenrecht verdachten van
een strafbaar feit voor de strafrechter te brengen; burgers kunnen dit niet. In het geval iemand
een strafbaar feit constateert of daarvan zelf slachtoffer wordt, kan hij alleen aangifte doen bij
de politie. Zij zullen de zaak onderzoeken, eventueel doorsturen naar het OM, die op haar beurt
de zaak voor het gerecht kan brengen. Het recht in eigen hand nemen, oftewel: eigenrichting, is
verboden. In het geval het slachtoffer schade heeft opgelopen door het delict kan hij zich in de
zaak voegen als benadeelde partij en een schadevergoeding verzoeken van de strafrechter.

1.3 Doelen van straffen
Het opleggen van straffen dient voornamelijk twee doelen: vergelding en preventie. Vergelding
is het opzettelijk toevoegen van leed aan de dader vanwege het misdrijf dat hij heeft begaan,
teneinde de rechtsorde en gerechtigheid te herstellen. Het dient als morele genoegdoening voor
de samenleving, en in het bijzonder voor het slachtoffer. Preventie houdt in: het voorkomen van
(herhaling) van het misdrijf. Hierbij bestaat een onderscheid tussen: generale en speciale
preventie. Met generale preventie wordt bedoeld het afschrikken van potentiële daders en het
bevestigen van de rechtsnormen in de samenleving. Met speciale preventie wordt bedoeld het
voorkomen dat daders opnieuw een strafbaar feit plegen.

1.4 Materieel strafrecht, formeel strafrecht en sanctierecht
Materieel strafrecht gaat in op de vraag wat een strafbaar feit is. Formeel strafrecht, ook wel
bekend als strafprocesrecht of strafvordering, behelst bevoegdheidsregels en bepaalt welke
regels gevolgd moeten worden wanneer een norm van het materiële recht (vermoedelijk) is
overtreden. Het sanctierecht heeft betrekking op de voorwaarden waaronder bepaalde straffen
mogen worden opgelegd en ten uitvoer gelegd. Het materieel strafrecht is voornamelijk te
vinden in het Wetboek van Strafrecht, het formeel strafrecht voornamelijk in het Wetboek van
Strafvordering en het sanctierecht in beide wetboeken.

1.5 Commuun en bijzonder strafrecht
Het strafrecht dat in de wetboeken is opgenomen, duidt men vaak aan als het commune
strafrecht. Daarnaast bestaan er veel strafbepalingen in andere wetten, zoals de Wegen-
verkeerswet. Deze wetten worden bijzondere strafwetten genoemd en vormen tezamen: het
bijzondere strafrecht. Alle hierboven genoemde wetten zijn wetten in formele zin. Strafwetten
die niet tevens een wet in formele zin zijn kunnen bijvoorbeeld zijn vastgelegd in algemene
plaatselijke verordeningen (APV) van een gemeente.

1.6 De opbouw van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van
Strafvordering

,Het Wetboek van Strafrecht – afgekort: ‘Sr’ – bestaat uit drie hoofdonderdelen, die boeken
worden genoemd. Boek I regelt de algemene leerstukken van het materiële strafrecht, Boek II
bevat alleen misdrijven en Boek III bevat uitsluitend overtredingen. Het Wetboek van
Strafvordering – afgekort: ‘Sv’ – bestaat uit zes boeken, waarvan de eerste drie het
belangrijkst zijn. Boek I regelt de belangrijkste bevoegdheden tijdens het opsporingsonderzoek,
Boek II regelt de vervolgbeslissing van de officier van justitie en de berechtingsprocedure van
een verdachte door de rechtbank en Boek III is gewijd aan rechtsmiddelen. Ieder van deze
boeken zijn onderverdeeld in titels, die op hun beurt afdelingen kunnen bevatten.



Hoofdstuk 2
Inleiding materieel strafrecht

2.1 Plaats en structuur van strafbepalingen
In de meest volledige vorm bestaat een strafbepaling uit:
- een delictsomschrijving;
- een kwalificatie-aanduiding; en
- een strafbedreiging.
De delictsomschrijving is een omschrijving van het gedrag dat de wetgever strafbaar heeft
gesteld, de kwalificatie-aanduiding maakt duidelijk hoe het gedrag in juridisch opzicht moet
worden benoemd en de strafbedreiging bepaalt welk soort straf mag worden opgelegd en wat
het maximum daarbij is. In de meest volledige vorm bestaat een strafbepaling uit deze drie
onderdelen, maar soms ontbreekt de expliciete kwalificatie-aanduiding of de strafbedreiging.

2.2 De opbouw van het strafbare feit in vier componenten
Een strafbaar feit is:
- een menselijke gedraging; (MG)
- die valt binnen de grenzen van een wettelijke delictsomschrijving; (DO)
- die wederrechtelijk is; (W)
- en aan schuld te wijten (schuld in de zin van verwijtbaarheid, daarom afgekort als V).
Dit vierlagenmodel kan afgekort worden weergegeven als: (MG)  (DO)  (W)  (V).

Ad 1. De menselijke gedraging
Het eerste vereiste van een strafbaar feit is de menselijke gedraging. Het moet hierbij gaan
om een mens in de vorm van een natuurlijke persoon of rechtspersoon1, dus niet een dier of
ding. Ook moet het gaan om een menselijke gedraging; een enkele gedachte is onvoldoende.
Pas wanneer iemand geheel of gedeeltelijk uitvoering geeft aan die gedachten, is voldaan aan
deze voorwaarde voor strafbaarheid. Ook gedrag nalaten kan een strafbare gedraging
opleveren. Deze menselijke gedraging zal uiteindelijk tot uitdrukking komen in de
tenlastelegging. De tenlastelegging is een processtuk waarin staat beschreven welke gedraging
de verdachte, volgens de officier van justitie, zou hebben verricht. Met andere woorden: hierin
staan de feiten die aan de verdachte worden verweten en waarvoor hij terecht moet staan. Art.
350 Sv schrijft voor dat het aan de rechter is om te onderzoeken of het ten laste gelegde feit
bewezen kan worden verklaard. Indien hij dat niet kan, zal op basis van art. 352 lid 1 Sv
vrijspraak volgen.

1
Bijvoorbeeld: stichtingen, verenigingen, naamloze- en besloten vennootschappen, gemeenten en provincies.

,Ad 2. De wettelijke delictsomschrijving
Het tweede vereiste van een strafbaar feit is dat de menselijke gedraging moet vallen binnen de
wettelijke delictsomschrijving. Anders gezegd: gedragingen zijn pas strafbaar als zij in de
strafwet zijn terug te vinden2. In iedere strafzaak zal de rechter dus de bewezen verklaarde
feitelijke gedraging uit de tenlastelegging juridisch moeten benoemen, wat kwalificeren wordt
genoemd. Vervolgens moet hij bepalen welke wettelijke delictsomschrijving precies van
toepassing is op het bewezen verklaarde. Kan hij dit niet, dan volgt ontslag van alle
rechtsvervolging (OVAR) wegens niet-kwalificeerbaarheid.

Ad 3. De wederrechtelijkheid
Het derde vereiste van een strafbaar feit is de wederrechtelijkheid. Hiermee wordt bedoeld dat
de menselijke gedraging die binnen de wettelijke delictsomschrijving valt, in strijd moet zijn moet
het recht. Als een gedraging valt binnen de wettelijke delictsomschrijving wordt verondersteld
dat het in strijd is met het recht, omdat die gedraging een (ongeschreven) rechtsnorm overtreedt
en dus strafbaar is. Er kunnen echter gevallen zijn waarin dat gedrag kan worden
gerechtvaardigd. De zogenoemde rechtvaardigingsgronden hebben het gevolg dat een
gedraging niet wederrechtelijk is. Een voorbeeld hiervan is zelfverdediging, dat verankerd ligt in
art. 41 Sr en noodweer wordt genoemd. Als zelfverdediging wordt bewezen valt de gedraging in
de delictsomschrijving, maar volgt ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR).

Ad 4. De schuld
Het vierde en laatste vereiste van een strafbaar feit is schuld. Schuld moet worden opgevat als
verwijtbaarheid. Hiervan is sprake als men van iemand in redelijkheid kon vergen dat hij zich
anders gedroeg dan hij deed. Schuld in de zin van verwijtbaarheid bestaat dus als iemand een
reëel gedragsalternatief had voor het overtreden van de wet. Evenals voor de weder-
rechtelijkheid wordt verondersteld dat de verwijtbaarheid aanwezig is. Schulduitsluitingsgronden
maken het echter mogelijk dat bepaald gedrag dat valt binnen de wettelijke delictsomschrijving,
niet die persoon te verwijten valt. Een voorbeeld hiervan is ontoerekeningsvatbaarheid, dat ligt
verankerd in art. 39 Sr. Dit duidt op geestelijke stoornis die het gedrag beïnvloed. In het geval
dat iemand ontoerekeningsvatbaar is en een delict pleegt, valt de menselijke gedraging binnen
de delictsomschrijving. Ook is het wederrechtelijk, omdat diegene geen reden had die zijn
gedrag kon rechtvaardigen. Echter, vanwege zijn geestelijke stoornis, valt het gedrag hem niet
te verwijten. Op grond van ontoerekeningsvatbaarheid volgt daarom geen straf, maar OVAR.

2.3 Legaliteit en interpretatie
Uit art. 1 lid 1 Sr volgt:
“Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgaande wettelijke strafbepaling”
Dit artikel is de uitdrukking van het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel dat is gebaseerd op het in
art. 16 Gw verankerde staatsrechtelijke legaliteitsbeginsel. Hierin staat dat overheidshandelen
gebaseerd moet zijn op een vooraf aanwezige wettelijke bepaling. Daarmee voorkomt het dat
de wetgever met terugwerkende kracht regels kan opleggen. Het doel van art. 1 lid 1 Sr is
daarmee het bewerkstelligen van rechtszekerheid. Verder vereist de rechtszekerheid ook dat
bepalingen voldoende duidelijk zijn geformuleerd. Indien dat namelijk niet zo is, kan vrijwel al
het gedrag onder die strafrechtelijke bepalingen vallen, wat een hoogst rechtsonzekere situatie
tot gevolg heeft. De reden dat de delictsomschrijvingen echter tamelijk abstract zijn is omdat de
wetgever niet alle strafbare gedragingen kan uitschrijven. Om die reden is het de taak van de
rechter onduidelijke terminologie uit te leggen en toe te passen op een concreet geval.
2
Dit wordt het legaliteitsbeginsel genoemd.

,2.4 Bestanddelen en elementen
Van de vier componenten van een strafbaar feit worden de laatste twee, wederrechtelijkheid
en verwijtbaarheid, de elementen genoemd. De onderdelen van de delictsomschrijving noemt
men bestanddelen. Bestanddelen vindt men in de wettekst, daar waar elementen niet in de wet
opgenomen voorwaarden voor strafbaarheid zijn. Alleen als aan alle bestanddelen is voldaan
wordt de delictsomschrijving vervult. Dat betekent dat als de officier van justitie een bestanddeel
vergeet op te nemen in de tenlastelegging, de rechter het feit niet kan kwalificeren en de
verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging (OVAR).

2.5 Wederrechtelijkheid als bestanddeel: een moeilijk geval
Wederrechtelijkheid is altijd een voorwaarde voor strafbaarheid. Soms staat die weder-
rechtelijkheid echter in de delictsomschrijving, waarmee wederrechtelijkheid geen element,
maar een bestanddeel is. Zie bijvoorbeeld art. 350 Sr. Wanneer wederrechtelijkheid een
bestanddeel is, en blijkt dat niet wederrechtelijk is gehandeld, kan men zeggen dat het delict
niet is gepleegd omdat de bestanddelen van de wettelijke delictsomschrijving niet allemaal zijn
vervuld. Als wederrechtelijkheid daarentegen geen bestanddeel, maar een element is, kan de
wettelijke delictsomschrijving wel worden vervuld. Desalniettemin zijn in beide gevallen de
gevolgen hetzelfde als de wederrechtelijkheid ontbreekt, namelijk: geen strafbaar feit gepleegd.

2.6 Soorten delicten
2.6.1 Misdrijven en overtredingen
Of een strafbaar feit een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de ernst van het
strafbare feit: misdrijven zijn over het algemeen ernstiger dan overtredingen. Misdrijven staan
opgesomd in Boek II van het Wetboek van Strafrecht en overtredingen in Boek III.

2.6.2 Formele en materiële delicten
Bij formele delicten zijn het verrichten van handelingen strafbaar gesteld, zoals bij: diefstal en
snelheidsovertredingen, en bij materiële delicten zijn het veroorzaken van het gevolg strafbaar
gesteld, zoals bij doodslag.

2.6.3 Commissie- en omissiedelicten
Commissiedelicten zijn delicten waarbij het doen, handelen of het gevolg daarvan strafbaar is
gesteld, zoals bij diefstal, doodslag of mishandeling. Omissiedelicten zijn delicten waarbij het
nalaten is strafbaar gesteld, zoals art. 450 Sr. Een oneigenlijk omissiedelict is een delict die in
de wet staat geformuleerd als commissiedelict, terwijl het wordt gepleegd door een nalaten,
zoals een moeder die door het onthouden van nodige zorg haar kind laat overlijden (doodslag).

2.6.4 Gekwalificeerde en geprivilegieerde delicten
Strafbepalingen worden bijzondere strafbepalingen genoemd indien delictsomschrijvingen
voortbouwen op andere delictsomschrijvingen. Het ene delict vormt dan een gronddelict voor de
ander. Vaak bevatten deze een extra bestanddeel die een strafverzwarende werking hebben.
Dit type delicten worden gekwalificeerde delicten genoemd, zoals art. 300 Sr en 301 Sr. Indien
het extra bestanddeel strafverlichtend werkt, worden het geprivilegieerde delicten genoemd.

2.7 Causaliteit
Causaliteit is de leer van oorzaak en gevolg. Als de relatie tussen twee gebeurtenissen is te
beschrijven als oorzaak en gevolg, dan bestaat daartussen een causaal of oorzakelijk verband.
Dit verband is vooral belangrijk bij materiële (gevolgs)delicten. Vanwege de soms erg complexe

,casus zijn er verschillende causaliteitstheorieën die oplossingen geven voor moeilijke gevallen.
De leer van de conditio sine qua non heeft als uitgangspunt dat een schakel kennelijk
onmisbaar is en derhalve als oorzaak is aan te wijzen, indien bij het ontbreken van die schakel
in de reeks der causale gebeurtenissen het gevolg zou zijn uitgebleven. Een nadeel van deze
leer is dat deze tot in het oneindige door kan gaan. Een andere theorie is de causa-proximaleer,
die als uitgangspunt heeft dat de veroorzakende factor het dichtst bij het gevolg ligt. Een nadeel
van deze leer is dat het geen rekening houdt met verder weg liggende, relevante factoren.
Daarnaast is er de voorzienbaarheidsleer die de nadruk legt op de handeling waarvan kan
worden gezegd dat deze een gevolg heeft dat naar algemene ervarings-regels rederlijkerwijs
voorzienbaar was. Het nadeel van deze leer is dat toeval een grote rol kan spelen. Het criterium
van de redelijke toerekening is de causaliteitstheorie die tot op heden geldend recht is. Dit
criterium is vastgelegd in het arrest Letale longembolie, dat het standaardarrest is voor de
causaliteit, en stelt dat het feit redelijk de verdachte moet kunnen worden toegerekend. Wat
onder redelijk wordt verstaan verschilt per casus en ligt aan de omstandigheden van het geval.




Hoofdstuk 11
Het rechtelijk beslissingsschema

11.1 Inleiding
11.1.1 De vragen van de artikelen 348 en 350 Sv
Door een einduitspraak eindigt de vervolging. Om een einduitspraak te kunnen doen, moet de
rechter na het onderzoek ter terechtzitting respectievelijk drie typen vragen beantwoorden:
- formele vragen (ook wel genoemd: voorvragen);
- materiële vragen (ook wel genoemd: hoofdvragen); en een
- straftoemetingsvraag.
De volgorde waarin deze vragen zijn vermeld in de artikelen 348 en 350 Sv, is dwingend: wat
betekent dat de rechter deze volgorde moet aanhouden. De formele vragen van art. 348 Sv zijn:
- Is de dagvaarding geldig?
- Is de rechter bevoegd?
- Is de officier van justitie ontvankelijk?
- Is er reden tot schorsing der vervolging?
De materiële vragen van art. 350 Sv zijn:
- Is bewezen dat het ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan?
- Kan het bewezen verklaarde worden gekwalificeerd?
- Is het bewezen verklaarde wederrechtelijk?
- Is de verdachte verwijtbaar?
De straftoemetingsvraag van art. 350 Sv is:
- Moet een straf of maatregel worden opgelegd en, zo ja, welke?

Pas wanneer de rechter heeft vastgesteld dat aan alle procedurele eisen is voldaan, zal hij aan
de materiële vragen kunnen toekomen. Een einduitspraak in de zin van art. 138 Sv is:
- nietigheid van de dagvaarding (art. 349 lid 1 Sv);
- onbevoegdheid van de rechter (art. 349 lid 1 Sv);
- niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie (art. 349 lid 1 Sv);
- schorsing van de vervolging (art. 349 lid 1 Sv);
- vrijspraak (art. 352 lid 1 Sv);

, - ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR) (art. 352 lid 2 Sv); of
- veroordeling (art. 351 Sv).
Het verschil tussen OVAR en vrijspraak is dat bij OVAR bepaalde maatregelen kunnen worden
opgelegd, zoals tbs, die bij vrijspraak uitgesloten zijn.

11.1.2 Het onderscheid tussen formele en materiële vragen
Op grond van de in art. 68 Sr gelegen ne bis in idem-regel kan een verdachte niet twee keer
worden vervolgd voor hetzelfde strafbaar feit. Dit geldt echter alleen als de rechter de zaak
reeds inhoudelijk heeft behandeld, oftewel als hij alle formele vragen heeft doorlopen en hij is
begonnen met het beoordelen van de materiële vragen. Dat betekent dat als de einduitspraak
één van de bovenste vier in het rijtje is, art. 68 Sr niet opgaat en de rechter de verdachte
gewoon opnieuw kan vervolgen. De rechter zal in dat geval echter alleen opnieuw vervolgen als
de formele fout nog te herstellen valt. Als de einduitspraak één van de laatste drie in het rijtje is,
dan is opnieuw vervolgen voor hetzelfde feit niet meer mogelijk op grond van art. 68 Sr.

11.1.3 De grondslagleer
De grondslagleer is neergelegd in art. 348 jo art. 350 Sv en houdt in dat de rechter alleen
feiten bewezen mag verklaren die ten laste zijn gelegd.

11.2 De formele vragen
11.2.1 Inleiding
Voor het beantwoorden van de vragen uit het beslissingsschema trekken rechters zich terug in
de raadkamer. De formele vragen van art. 348 Sv worden achtereenvolgens behandeld.

11.2.2 De eerste vraag: geldigheid van de dagvaarding
Om geldig te zijn moet de dagvaarding voldoen aan:
- de betekenisvoorschriften (externe eisen); en
- de eisen van de tenlastelegging van art. 261 Sv (interne eisen).
Betekenisvoorschriften moeten op grond van art. 265 lid 1 Sv ertoe leiden dat de dagvaarding
de verdachte tien dagen voor aanvang van de zitting bereikt waarbij hij op grond van art. 585
e.v. Sv op de hoogte wordt gesteld van de inhoud, plaats en tijd van de tegen hem dienende
strafzaak. Hiervan wordt een akte van uitreiking opgemaakt, die wordt gevoegd in het dossier
van de rechter. Bij ontbreken van een van de vereisten volgt: nietigheid van de dagvaarding.
De vijf minimumonderdelen die een tenlastelegging moet bevatten zijn volgens art. 261 Sv:
- een feit: een feitelijke omschrijving van wat is voorgevallen dat is ingekaderd in een
duidelijk omschreven delictsomschrijving;
- een tijd: de datum en tijd van wanneer de verweten gedraging is begaan;
- een plaats: de plaats van waar de verweten gedraging is begaan;
- de wettelijke voorschriften: de wettelijke artikelen van het ten laste gelegde feit; en
- omstandigheden: een nadere concretisering van de feiten. (Dit is eigenlijk al omvangen
in het eerste vereiste en daarom overbodig.)
Let op: de datum, tijd en plaats van het feit hoeven niet juist te zijn, als ze maar zijn vermeld!
Als niet is voldaan aan een van de vereisten volgt: nietigheid van de dagvaarding.

11.2.3 De tweede vraag: bevoegdheid van de rechter
De bevoegdheid van de rechter valt onder te verdelen in absolute bevoegdheid en relatieve
bevoegdheid. De absolute competentie heeft betrekking op welk soort rechter bevoegd is en is
geregeld in de Wet op de rechtelijke organisatie (RO) en het Wetboek van Strafvordering. De

,relatieve competentie heeft betrekking op waar de zaak moet worden aangebracht en is
geregeld in de artikelen 2-6 Sv. Bij onbevoegdheid volgt: onbevoegdheid van de rechter.

11.2.4 De derde vraag: ontvankelijkheid van de officier van justitie
Ontvankelijkheid van de officier van justitie heeft betrekking op de vraag of de officier van
justitie het recht tot vervolging heeft. Hij heeft bijvoorbeeld geen recht tot vervolging als:
- Nederland geen rechtsmacht heeft (art. 2-8d Sr);
- een rechter zich al eerder onherroepelijk heeft uitgesproken: ne bis in idem (art. 68 Sr);
- de verdachte is overleden (art. 69 Sr);
- het feit is verjaard (art. 70 Sr);
- een klacht ontbreekt bij een klachtdelict (art. 269 Sr); etc. (zie § 9.4)
In geval van een vervolgingsbeletsel volgt: niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

11.2.5 De vierde vraag: schorsing der vervolging
De redenen die leiden tot deze uitspraak zijn te vinden in de artikelen 14-16 Sr. Verwar deze
einduitspraak niet met: schorsing van het onderzoek ter terechtzitting, zoals art. 278 lid 4 Sv.

11.3 De materiële vragen
11.3.1 Inleiding
De materiële vragen gelegen in art. 350 Sv worden hieronder achtereenvolgens behandeld.

11.3.2 De eerste vraag: bewezenverklaring
Bij het formuleren van een bewezenverklaring is het niet van belang om vast te stellen wat er
precies is gebeurd, maar of het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden. Indien dat laatste niet
het geval is of heeft plaatsgevonden op een andere datum, tijd of plaats, volgt vrijspraak.

11.3.3 De tweede vraag: kwalificatie
Bij de kwalificatie moet de rechter bepalen welke delictsomschrijving van toepassing is op het
bewezen verklaarde. Indien de officier van justitie bijvoorbeeld verzuimt een vereist bestanddeel
op te nemen in de tenlastelegging, volgt: ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR).

11.3.4 De derde vraag: wederrechtelijkheid
Bij de derde vraag moet de rechter vaststellen dat het bewezenverklaarde en gekwalificeerde
feit ook wederrechtelijk is. De wederrechtelijkheid kan alleen worden weggenomen door een
rechtvaardigingsgrond. Als er dus sprake is van een rechtvaardigingsgrond moet de verdachte
onbestraft blijven en volgt: ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR).

11.3.4 De vierde vraag: verwijtbaarheid
Bij de vierde vraag moet de rechter vaststellen dat het bewezenverklaarde, gekwalificeerde en
wederrechtelijke feit ook de verdachte kan worden verweten. De verwijtbaarheid kan worden
weggenomen door een schulduitsluitingsgrond. Als hiervan sprake is volgt ook: OVAR.

11.4 Complicaties
‘Wederrechtelijkheid als bestanddeel’
Een delictsomschrijving is opgebouwd uit losse componenten. Deze componenten worden
bestanddelen genoemd. Iemand die alle delictsbestanddelen vervult, pleegt een strafbaar feit.
Indien één van de delictsbestanddelen niet zijn vervuld, is er geen strafbaar feit gepleegd en
volgt vrijspraak. Bij het vervullen van alle bestanddelen is nog niet voldaan aan alle

, voorwaarden van strafbaarheid. Uit de definitie van het strafbare feit blijkt namelijk dat ook moet
zijn voldaan aan de – niet in de delictsomschrijving opgenomen – elementen, te weten
wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid.

Als niet wordt voldaan aan het element wederrechtelijkheid, dan volgt OVAR. Het strafbaar feit
is namelijk bewezen en als zodanig gekwalificeerd, maar een rechtvaardigingsgrond heeft het
element wederrechtelijkheid weggenomen. Naast een element kan wederrechtelijkheid ook
een bestanddeel zijn van de delictsomschrijving. Dat betekent dat als niet is voldaan aan het
bestanddeel wederrechtelijkheid, geen OVAR maar vrijspraak volgt. Hierboven is namelijk
beschreven dat als niet aan één van de vereisten van de delictsomschrijving is voldaan, het
strafbaar feit niet kan worden bewezen en om die reden moet worden vrijgesproken. Hieronder
volgt ter illustratie een voorbeeld waarbij wederrechtelijkheid een element is in burengerucht
in de zin van art. 431 Sr en wederrechtelijkheid een bestanddeel is bij vernieling in de zin van
art. 350 Sr. Bij het ontbreken van wederrechtelijkheid bij burengerucht volgt OVAR en bij het
ontbreken van wederrechtelijkheid bij vernieling volgt vrijspraak.
Burengerucht in de zin van art. 431 Sr Vernieling in de zin van art. 350 Sr
‘Wederrechtelijkheid’ als element ‘Wederrechtelijkheid’ als bestanddeel
1. Is het bewezenverklaard dat er sprake is van: 1. Is het bewezenverklaard dat er sprake is van:
- rumoer of burengerucht; - opzettelijk;
- waardoor de nachtrust kan worden verstoord? - wederrechtelijk;
- enig goed;
(wederrechtelijkheid komt in dit artikel dus niet voor in de - dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort;
delictsomschrijving) - vernield, beschadigd, onbruikbaar is gemaakt of …?
2. kwalificatie: burengerucht? 2. kwalificatie: vernietiging?
3. Is het bewezen verklaarde wederrechtelijk? 3. (wederrechtelijkheidsvraag is al beantwoord!)
4. Is het bewezen verklaarde verwijtbaar? 4. Is het bewezen verklaarde verwijtbaar?




Hoofdstuk 7
Inleiding strafprocesrecht

7.1 Inleiding
Het deel van het strafrecht dat betrekking heeft op de regels voor strafrechtelijk onderzoek
wordt strafprocesrecht of ook wel formeel strafrecht of strafvordering genoemd.

7.2 Een eenvoudige strafzaak
Er bestaat geen standaard strafprocedure. Het verloop van het onderzoek in een concrete zaak
hangt af van de feiten en omstandigheden in die zaak. Aan de hand van de personen en
instanties in het strafproces, de fasen van het strafproces en het optreden van de
strafrechtelijke overheidsorganen zal hieronder het gehele strafproces worden beschreven.

7.3 Procesdeelnemers
7.3.1 Algemeen
De belangrijkste deelnemers aan het strafproces zijn:
- de verdachte: waarvan het vermoeden bestaat dat hij het strafbare feit heeft gepleegd;
- de raadsman (advocaat): die de verdachte adviseert en met hem de verdediging voert;
- de getuige: die het (vermoedelijke) strafbare feit heeft gezien en hierover (mogelijk) een
getuigenverklaring aflegt;

Gekoppeld boek

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
24 november 2016
Bestand laatst geupdate op
24 november 2016
Aantal pagina's
51
Geschreven in
2016/2017
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

$7.15
Krijg toegang tot het volledige document:
Gekocht door 301 studenten

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF


Ook beschikbaar in voordeelbundel

Beoordelingen van geverifieerde kopers

7 van 90 beoordelingen worden weergegeven
4 jaar geleden

5 jaar geleden

5 jaar geleden

5 jaar geleden

5 jaar geleden

5 jaar geleden

5 jaar geleden

4.1

90 beoordelingen

5
30
4
42
3
15
2
1
1
2
Betrouwbare reviews op Stuvia

Alle beoordelingen zijn geschreven door echte Stuvia-gebruikers na geverifieerde aankopen.

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
Maximinimus Vrije Universiteit Amsterdam
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
675
Lid sinds
11 jaar
Aantal volgers
486
Documenten
14
Laatst verkocht
2 weken geleden

4.2

208 beoordelingen

5
85
4
85
3
30
2
5
1
3

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen