taalgebruik en taalvariatie
Taal en communicatie
Gesproken taal vs. gebarentaal: is allebei niet universeel.
Non-verbale communicatie: elke vorm van uitwisseling van boodschappen tussen mensen of levende
wezens via niet-talige signalen of tekens.
Mensentaal vs. dierentaal
Dubbele articulatie: talige boodschappen zijn opgebouwd uit betekenisvolle kleinere eenheden, die
zelf weer zijn opgebouwd uit betekenisloze kleinere eenheden, bijvoorbeeld BOEK. De betekenis zit
in de samenstelling van klanken, niet in de afzonderlijke letters.
Creativiteit in natuurlijke taal: hoort bij de productiviteit. Is een unieke eigenschap van de natuurlijke
taal.
Taaltheorieën en benaderingen
Descriptieve grammatica: beschrijft wat je weet over klanken, woorden, zinsdelen en zinnen in jouw
eigen taal en verklaart hoe het komt dat jij deze kunt uiten en begrijpen.
Prescriptieve grammatica: omschrijft hoe je zou moeten spreken.
Pedagogische grammatica/schoolgrammatica: zinsontleding en woordsoortbenoeming.
Traditionele grammatica: woordsoortbenoeming (taalkundig ontleden).
Synchrone beschrijving: bestudeert de taal zoals die op een bepaald moment is.
Diachrone beschrijving: bestudeert de verandering van de taal in de loop der tijd aan de hand van
overgeleverde teksten.
Fonetiek en fonologie
Fonetisch plan voor articulatie: alle informatie die nodig is voor uitspreken van de uiting. Wordt
meestal onbewust en foutloos gerealiseerd.
Coarticulatie: de articulatie van een klank kan worden beïnvloed door de klanken die eraan vooraf
gaan of erop volgen.
Assimilatie: een fonologisch proces waarbij een klank gedeeltelijk of volledig de kenmerken van een
naburige klank overneemt, bv. afzakken, zakdoek
Distinctief kenmerk: een betekenisonderscheidend kenmerk van iets dat aan taal gerelateerd is.
Distinctiviteit van klanken: plaats, manier en stemhebbendheid van klanken.
Klank
Vocaal/klinker: klanken waarbij de lucht ongehinderd door de mond naar buiten komt.
- Hoog vs. laag
- Achter vs. voor
Consonant/medeklinker: er is sprake van ‘versperring’ van de luchtstroom.
- Stemloos (stembanden trillen niet mee p,t,k,f,s,ch,h) vs. stemhebbend (stembanden
trillen mee b,d,v,z,g,m,n,ng,l,r,j,w)
- Plaats
Labiaal: wordt met beide lippen gevormd (bilabiaal), door de onderlip en de bovenste tanden
(labiodentaal) of door coarticulatie van de beide lippen en het zachte verhemelte (labiovelaar).
- Manier
Fricatief/wrijfklank: de lucht wordt door een nauwe opening geperst.
Liquida/glijklank/approximant: de versperring is zeer gering.
Nasaal: door de neus uitgesproken klank.
Foneem: betekenisonderscheidende klank in een taal.